
Door haar heilige huisjes omverhalende radicaliteit werd de historische avant-garde lang niet met spiritualiteit en religie in verbinding gebracht. Een paar grote tentoonstellingen in Los Angeles (1986) en Parijs (2008) hebben daar verandering in gebracht. Een sleuteltekst is uiteraard Wassily Kandinsky’s Das Geistige in der Kunst (1912) waarin de kunstenaar als priester van een nieuwe samenleving wordt naar voren geschoven.
De auteurs van deze bundel essays zijn verbonden aan de theologische faculteiten van de universiteiten Utrecht en Tilburg. Ze definiëren de avant-garde als een utopisch-spirituele beweging tegen de (materialistische) geest van de moderne tijd. Los van de institutionele religie, zo stellen ze, willen avant-gardekunstenaars een autonome, nieuwe geestelijke zingeving ontwerpen. De onbevooroordeelde lezer denkt dan onmiddellijk aan het expressionisme van ‘Der blaue Reiter’ met Marc en Kandinsky, ook aan de abstracte kunst van Mondriaan en Malevich. Maar wat doe je met het beeldstormende futurisme, dadaïsme en surrealisme?
Het valt inderdaad op dat in de historische benadering van dit boek vrij eenzijdig de klemtoon wordt gelegd op een idealistische avant-garde, en veel minder op de deconstructieve. Sommige afzonderlijk behandelde figuren zoals Jan Toorop en Max Jacob zijn voor de samenstellers interessant omdat ze zich bekeerd hebben, maar daar staat tegenover dat ze in het vaarwater van Mussolini resp. de Action française zijn verzeild. Ook Albert Verwey kun je bezwaarlijk een avant-gardist noemen, zelfs nauwelijks een modernist. Lucebert als ‘dadaïst’ bestempelen geeft dan weer weinig blijk van historisch besef.
Zeker is het zo dat spirituele tradities buiten het gevestigde christendom en esoterie in brede zin invloed hebben uitgeoefend op de avant-garde, naast specifiek christelijke invloeden. Er wordt in dit verband een interessant onderscheid gemaakt tussen hermetische esoterie en gnostische esoterie. Die laatste is juist ook voor het dadaïsme een belangrijke bron geweest.
De kwaliteit van de bijdragen wisselt. Sommige stukken zijn als het ware inleidingen voor de volslagen leek, andere bijna oeverloze overzichten van de secundaire literatuur. Het boeiendst zijn de geestelijke portretten van afzonderlijke kunstenaars: Kandinsky, Hugo Ball, Lucebert, Joseph Beuys en de te weinig bekende Sophie van Leer die een karakteristieke ontwikkeling doormaakte van geloof in de autonomie van de kunst naar een sterk ethisch besef dat het leven voorrang gaf op de kunst.
Wel blijft het begrip ‘spiritualiteit’ ontzettend vaag. Dat de avant-garde een ‘aardse spiritualiteit’ voorstond, wordt herhaaldelijk geponeerd, maar de inhoud ervan wordt te zelden via analyse uitgediept en aangetoond. De ‘haat tegen de materiële werkelijkheid’ is een te grove veralgemening en geldt zeker niet voor veel radicale avant-gardisten.
In het korte slotdeel wordt kritisch belicht hoe de katholieke kerk in Nederland na de Tweede Wereldoorlog fel tekeer ging tegen de ‘ontaarding’ (een nazistische term) van de avant-garde en zelfs de zacht onconventionele religieuze kunst als de kruisweg van Aad de Haas bestreed. Positief is dat hedendaagse theologen een veel opener houding tegenover (een deel van) de avant-garde aannemen, zonder haar te willen opslorpen.
Deze essaybundel is een eerste aanzet voor grondiger studie. Het boek is origineel geïllustreerd met veelzeggend en weinig bekend oud fotomateriaal, maar het bevat storend veel herhalingen en overlappingen.
Frank Bosman & Theo Salemink (red.): Avant-garde en religie. Over het spirituele in de moderne kunst 1905-1955. Utrecht: Uitgeverij Van Gruting 2010. 367 p.