Tag: kunst

  • Patrick De Rynck: Dit is België

    ‘Belgische’ kunst in 80 meesterwerken


    Wanneer de canon bedreigd is, groeit de behoefte om hem op te frissen. Weliswaar wordt kunst steeds meer in internationaal verband beschouwd, maar daar staat tegenover dat mensen (zeker toeristen) de neiging hebben een land met zijn grote kunstenaars te identificeren. Natuurlijk is het gek het huidige grenzen van een staat te projecteren op een tijd waarin België niet bestond, maar de blik waarmee dit chronologisch overzicht van meesterwerken van de schilderkunst is samengesteld, is er nu eenmaal een uit het heden.

    Dat zal de lezer overigens geweten hebben: herhaaldelijk verwijst de samensteller naar sporen van de grote kunstenaars in de actualiteit: tentoonstellingen, citaten in de reclame en de populaire cultuur, alsof die (efemere) aanwezigheid de belangstelling of zelfs de waarde van de besproken en getoonde werken moet legitimeren.

    Het commentaar bij de 80 afgebeelde werken, van Robert Campin tot Michaël Borremans is, afgezien daarvan, voortreffelijk. De Rynck vertelt het verhaal achter het schilderij (sociale en artistieke context, kunstenaar, opdrachtgevers e.d.), licht toe wat het schilderij voorstelt (bv. het religieuze of mythologische onderwerp, de symboliek van een stilleven, de persoon van een geportretteerde), belicht de schilderkunstige kwaliteiten binnen het genre en de artistieke stroming (compositie, lichtwerking, kleurgebruik enz.).

    Met etiketteringen en interpretaties springt hij voorzichtig om. De tekst is helder en boeiend geschreven; zowel de leek als de kunstliefhebber heeft er iets aan. De auteur heeft ook recente vakliteratuur in zijn commentaren verwerkt. Hij concentreert zich op het op de rechterbladzijde (een paar keer op twee bladzijden) afgebeelde werk en heeft veel oog voor details, die de kijker makkelijk kunnen ontgaan. De reproducties zijn van goede kwaliteit, maar – zeker bij werk van bv. de Vlaamse Primitieven – niet groot genoeg om het beschrevene ook altijd te kunnen terugvinden. Eigenlijk had dit boek een groter formaat moeten hebben.

    Een origineel idee, dat de eenheid van dit overzicht en het heen- en weerbladeren in de chronologie bevordert, zijn de miniatuurafbeeldingen van een paar verwante werken die elders in het boek worden besproken. Er is ook een index op de schilderijen, op de plaats waar je ze kunt vinden en een beknopte maar uitstekende bibliografie per schilder. De keuze breekt, zoals de samensteller ruiterlijk toegeeft, geen potten.

    Dit is België wil nu eenmaal een getrouw beeld geven van wat in de publieke opinie door de eeuwen heen is gaan bovendrijven. Dat verklaart ook waarom sommige schilders met vier of vijf werken vertegenwoordigd zijn (Bruegel, Ensor (cover), Magritte, Rubens, Van der Weyden, Van  Eyck), sommige met drie (Memling, Van Dyck) of twee (Bouts, David, Massijs, Spilliaert).

    Belangrijke omissies zijn er eigenlijk niet, al zegt het natuurlijk veel dat het boek nauwelijks abstract werk bevat (Schmalzigaug, Peeters, Servranckx e.a. ten spijt) en evenmin werk van een vrouw. Dat Jheronimus Bosch met De kruisdraging is opgenomen, is een verwijzing naar de relativiteit van de geografische afbakening, met Gossaerts Danaë wordt de canon enigszins gecorrigeerd, met Liéven De Winnes Portret van Z.M. Leopold I, koning der Belgen de academische realiteit van de 19e eeuw gerespecteerd, ten koste van bv. Henri de Braeckeleer.

    Met iets meer moed had de overwaardering van Paul Delvaux (twee werken!) kunnen worden rechtgezet. Zoals de auteur schrijft: ‘Ik geef graag toe dat een boek als dit “conservatief” is, en canonbevestigend.’ Wie die beperkingen aanvaardt, krijgt met Dit is België een vlot leesbaar en bijzonder informatief (eerste) overzicht.

    Patrick De Rynck: Dit is België. In tachtig meesterwerken. Amsterdam: Athenaeum–Polak & Van Gennep 2010. 206 p., € 35


  • Artists’ Handbook


    In 2005 kocht de Antwerpse verzamelaar en kunsthandelaar Ronny Van de Velde op een veiling in Parijs het gastenboek van de New Yorkse kunstboekhandelaar en uitgever George Wittenborn. Tussen 1944 en 1974 had Wittenborn beroemde en minder beroemde kunstenaars die bij hem langskwamen uitgenodigd er een spoor in achter te laten. De meesten trokken de omtreklijnen van hun hand en voorzagen ze van een datum en handtekening, sommigen pakten het iets origineler aan.

    Ze droegen een echte tekening van hun hand bij, een afdruk in inkt of verf, lieten hun hand door een paar kleine wijzigingen of toevoegingen spreken, knipten ze uit in papier enz. Zo kwamen 190 kunstenaarshanden bijeen, waaronder die van Archipenko, Hans Arp, Louise Bourgeois, Marc Chagall, Max Ernst, Sam Francis, Jasper Johns, Dieter Roth, Jean Tinguely en Andy Warhol.

    Van de Velde liet hedendaagse (Belgische en andere) kunstenaars het boek aanvullen: o.a. Michaël Borremans, Raoul De Keyser, Per Kirkeby, Paul McCarthy, Anne-Mie Van Kerckhoven, Dirk Zoete. Wat opvalt, is dat ze dikwijls de monotonie van hun voorgangers doorbreken. Voor hen volstaat de indexicale waarde van een hand-tekening of handafdruk – kijk: de hand van de meester, zonder omwegen – niet meer. Ze maken, veelal in de stijl van hun werk, een artistiekere tekening waarin (hun) hand(en) een rol spelen.

    Wim Delvoye bezorgt een röntgenfoto, Peter De Cupere tekent een hand met een aardbei als uiteinde van de wijsvinger die ook echt naar aardbei ruikt. Bijschrift met knipoog: “Touch & smell my finger. My girlfriend knows why…”. Überhaupt is hier en daar de elfde vinger niet ver weg. Hans Op de Beeck zet in een videostill enkele heren in scène die elkaar de hand geven, Marie Jo Lafontaine toont op twee bladzijden een vervreemdend blauw oplichtende knuist met onderarm. Mooi is ook de tekening van de Spaans-Brusselse kunstenaar Angel Santiago Vergara, die zijn uitgespaarde hand bezigheden en plekken van een dag in de stad laat aanraken.

    Al die kunstenaarshanden werden voor deze uitgave verzameld in een letterlijk gewichtig boek. Het oogt als een uit de kluiten gewassen adresboek, met alfabetische inkeping en indeling op de naam van de kunstenaar. Binnen elke letter zijn de tekeningen chronologisch gerangschikt, rechts bovenaan staat in kleine letters de eigenaar van de hand gedrukt – handlezen en raden zijn dus mogelijk.

    Na elke letter volgen op geel papier beknopte tekstjes over de kunstenaars, die (en dat verdient een pluim) in een zestal regels zeer to the point het werk karakteriseren. Een afdeling met een extra (rode) letter H bevat een reeks kunstwerken – gravures, schilderijen, tekeningen, foto’s, objecten – uit de 19e en 20e eeuw waarin handen een rol spelen. Uit deze afdeling blijkt hoeveel belangrijker dit verbeeldingrijke werk is dan de hand van de meester tout court.

    Onder de F staat tevens de Engelse vertaling van een mooi essay uit 1934 van de Franse kunsthistoricus en -filosoof Henri Focillon. Hij zingt al filosoferend de lof van de handen en toont de betekenis ervan in de beschavings- en kunstgeschiedenis. Onder de letter W situeert Jan Ceuleers de originele man George Wittenborn (1905-1974) in zijn New Yorkse kunstboekhandel, uitgeverij en vriendenkring.

    Achterin vind je een alfabetisch register van de meer dan 300 kunstenaars die in dit boek vertegenwoordigd zijn. Het geheel is een wat uit de hand gelopen vondst, een curiosum waarin branie en ironie elkaar in evenwicht proberen te houden. Doorgewinterde kunstliefhebbers zal het wel intrigeren.

    Artists’ Handbook. George Wittenborn’s Guestbook, with 21st Century Additions Initiated by Ronny Van de Velde. Gent: Ludion 2007. [500] p., € 75

  • Kijken met Rudi Fuchs

    Kijken met Rudi Fuchs

    Kunstenaars zeggen soms smalend over kunstcritici dat ze niet kunnen kijken. Kunstliefhebbers ergeren zich aan het jargon waarmee ze in catalogi of op tentoonstellingen om de oren worden geslagen. Rudi Fuchs kun je die twee dingen niet verwijten. Van opleiding kunsthistoricus (hij schreef o.m. een grondige studie over Rembrandt in Amsterdam), is hij bijna heel zijn leven actief geweest als directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, Gemeentemuseum Den Haag en het Stedelijk Museum in Amsterdam.

    Hij heeft een levendige verhouding tot de 20ste-eeuwse en hedendaagse kunst, zoals in 2002 bleek uit zijn lijvige boek Tussen kunstenaars: een romance, dat onder meer boeiende en uitgebreide verslagen bevatte van gesprekken en atelierbezoeken. Meerdere edities beleefde zijn even heldere als scherpzinnige overzicht van duizend jaar Schilderen in Nederland. Sinds anderhalf jaar schrijft hij onder de titel ‘Kijken’ een column in De Groene Amsterdammer. De eerste 72 stukken zijn nu gebundeld in een fraai ‘leesboek over kunst’.

    Fuchs gebruikt de columns niet om zijn uitgebreide kennis van kunstenaars en stromingen te etaleren of kanttekeningen te maken bij de huidige kunstwereld, maar concentreert zich op waar het eigenlijk om gaat: het kijken naar kunstwerken. Dat kun je intensiveren en scherp stellen door er woorden voor te zoeken, ook al besef je dat de originaliteit van een kunstwerk vooral datgene is wat aan beschrijving ontsnapt. Aan theorie heeft hij in dit boek een broertje dood.

    Zelfs het voorwoord, waarin hij oorspronkelijk theoretische opmerkingen wilde maken, heeft plaatsgemaakt voor de neerslag van zijn gesprekken in het atelier van Jannis Kounellis over een van de voor Fuchs paradigmatische kunstenaars van de 20e eeuw, Piet Mondriaan. Op het eerste gezicht twee kunstenaars van wie het oeuvre ver uit elkaar ligt, maar het fascineert hem ‘hoe kunstenaars naar het werk van anderen kijken alsof het nog gemáákt wordt en voordat het voltóóid is’. Kounellis blijkt bijvoorbeeld geboeid door de afwezigheid van schaduw bij Mondriaan, met lijnen die scherp zijn maar ook licht van gewicht. Het kijken naar hedendaagse kunst brengt Fuchs er dan weer toe om met andere ogen naar oudere kunst te kijken, de zoektocht en de keuzes van de kunstenaar bij het creëren van het werk in gedachten over te doen.

    Vooral in de eerste helft van deze bundeling valt de constante aandacht voor het ontstaansproces op. Enerzijds leidt de auteur dat af uit een nauwgezette beschrijving van hoe het besproken schilderij, de tekening, de sculptuur, de assemblage of het videowerk in elkaar zit. Anderzijds – en dit weerlegt de soms wat schampere kritiek dat Fuchs alleen aan close reading doet – betrekt hij zijn vertrouwdheid met de eigenschappen van het gebruikte materiaal en de conventies van het genre in zijn stukken, en lardeert hij ze met wat hij weet over het werk- en installatieproces en de achtergrond van de kunstenaar.

    Omdat je beter kijkt als je vergelijkingsmateriaal hebt (hoe verschillend en weinig voor de hand liggend dat ook is), trekt Fuchs naar het einde van zijn stukjes toe vaak een verrassende parallel. Tussen een laconieke ets van Rembrandt bijvoorbeeld en een droge registratie ‘Circle of Autumn Winds’ van de wandelende Richard Long. Tussen een ‘Schüttbild’ van Hermann Nitsch en de stralende lichtkrans in Bernini’s ‘Extase van de heilige Teresa’. Of tussen een gelaagde marine van Jean Brusselmans en de semi-abstracte verfbanen op een titelloos doek van Robert Zandvliet. En het verrassendst van allemaal: tussen de bedachtzaam gecomponeerde kopergravure ‘Die Weyhnachten’ van Dürer en slechts schijnbaar ordeloze compositie van Jan De Cock.

    Soms moet de juxtapositie het vooral van de reproducties hebben, omdat Fuchs, vermoedelijk door de dwang van de een-pagina-column, te weinig ruimte heeft om de vergelijking uit te werken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de sculpturele constructie van drie gootvormige ringen van Bruce Nauman en een van de iglo’s van Mario Merz. Maar omdat dit leesboek ongemerkt een leerboek wordt, begin je als lezer zelf ook formeel te kijken.

    Het spectrum van de behandelde kunstenaars is breed en omvat zowel oude(re) (Jacob van Ruisdael, Caravaggio, Lucas van Leyden, Munch, Bonnard, Malevich) als recente(re) kunstenaars (Tracey Emin, Dennis Hopper, Robert Mangold, Imi Knoebel). Heel wat stukken zijn door de trefzekerheid in waarneming en formulering echte blikopeners, bewonderenswaardig in zo’n kort bestek. Ik denk o.m. aan de lijn die getrokken wordt tussen Joseph Beuys en diens ogenschijnlijk klassieke leermeester Ewald Mataré, aan de verbluffende parallellen tussen de Laokoön-groep en een assemblage uit stukken autocarrosserie van John Chamberlain, aan de ideale inleidingen in het subtiele steenhouwerswerk van Ulrich Rückriem, het de ruimte herdefiniërende ‘maatwerk’ van Stanley Brouwn en het gebruik van grote figuurlijke motieven in het typische idioom van de abstracte kunst door Jeroen Henneman. Het stukje over Rembrandts ‘De staalmeesters’ is een zeldzaam voorbeeld van hoe kennis van de (afwijking van) verwachtingen over een schildergenre het meesterschap ervan kan bewijzen.

    Op dit punt ontgoochelt het zich toespitsen op formele beschrijving de lezer wel eens. Wanneer namelijk de kwaliteit van het besproken werk ondermaats is (de appelschilderijen van Ina van Zyl bijvoorbeeld of een vroeg voetbalveld van Raveel) vraag je je af of scherp kijken en oordelen niet toch twee verschillende werelden zijn. Beschrijven kan je immers alles, maar als dat alleen maar uitmondt in een wat stereotiepe bewondering van de ‘schoonheid’ – een in de moderne en hedendaagse kunst toch niet onproblematische categorie – worden ook de grenzen van deze kunstbeschouwing duidelijk. Voor het euvel echter dat te vaak wordt geoordeeld zonder voorafgaand nauwkeurig te kijken en het ontstellende feit dat de gemiddelde museum- of tentoonstellingsbezoeker niet langer dan negen seconden bij een schilderij blijft staan, is dit boek een schitterend antidotum.

    Rudi Fuchs, Kijken. Een leesboek over kunst, Ludion 2011, 171 p., 24,90 euro.


  • Kunst, uitgelicht

    Een ‘alomvattend’ naslagwerk

    ‘Kunst, uitgelicht’ (Lannoo, 2025)

    Aliki Braine e.a.: Kunst, uitgelicht

    Aan overzichtswerken over kunstgeschiedenis is er geen gebrek. De jongste twintig jaar deden daarin ook de lang veronachtzaamde niet-westerse kunst, hedendaagse kunst en vrouwelijke kunstenaars hun intrede. Een voortreffelijk voorbeeld is Julian Bells Spiegel van de wereld. De geschiedenis van de beeldende kunst (Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2008). Vaak bleef men evenwel nog in het narratieve en essayistische stramien steken. De kenmerken van stromingen en de levensloop van de kunstenaars werden overbelicht en het individuele kunstwerk kreeg weinig aandacht.

    Kunst, uitgelicht gooit het over een andere boeg. Het is een vernuftig geconstrueerd kijk- en leesboek op groot formaat dat ‘de 500 belangrijkste kunstwerken ter wereld’ in detail bespreekt. De ordening is chronologisch en het boek is onderverdeeld in zes veelomvattende hoofdstukken: het begin (28.000 v.C. – 1400 n.C.), illusie en observatie (1400 – 1600), drama en detail (1600 – 1800), kleur en innovatie (1800 – 1900), op weg naar abstractie (1900 – 1945), hedendaagse kunst (1945 – heden).

    Bijna elk kunstwerk wordt op een afzonderlijke pagina, soms op twee, afgebeeld, waarbij de uitzonderlijke kwaliteit van de reproducties in het oog springt. Telkens worden naast de naam van de maker (indien bekend), de titel, het ontstaansjaar, het medium, de afmetingen vermeld en de plek waar het te vinden is. Een beknopte inleidende tekst belicht de culturele en artistieke ontstaansachtergrond en het eigene van het werk. Als voorbeeld de intro op een detail van de zuil van Trajanus (2e eeuw n.C.):

    ‘Deze zuil is een monument voor de veldtochten van de Romeinse keizer Trajanus tegen de Daciërs (in het huidige Roemenië). Het gebeeldhouwde verhaal kronkelt omhoog in een spiraal van zo’n 200 m lang, met als climax de zelfmoord van de Dacische koning Decebalus. In de visuele compositie zitten voorlopers van moderne filmtechnieken verwerkt, zoals montage, plotselinge overgangen en meerdere gezichtspunten.’

    Vervolgens worden afgebeelde personen en motieven, hun symbolische betekenis en allerhande stilistische en technische bijzonderheden toegelicht – in heldere annotaties die met een haarlijntje verwijzen naar een gedeelte van het werk. In de marge verduidelijken schematische tekeningen de compositie van een beeld, schilderij of tekening, het perspectief en het kleurenpalet. Kleine afbeeldingen lichten details uit die over het hoofd kunnen worden gezien, wijzen op invloed van (respectievelijk op) andere werken en verduidelijken de gebruikte steensoort of de pigmenten. Veelal vergezelt een treffend citaat uit de literatuur, de kunstkritiek of een geschrift van de kunstenaar het gekozen werk. Zo staan bij ‘Compositie VII’ (1913) van Wassily Kandinsky diens woorden: ‘Kleur is het klavier, de ogen zijn de hamers, de ziel is de piano met vele snaren. De kunstenaar is de hand die speelt, die de ene toets of de andere indrukt en vibraties in de ziel veroorzaakt.’

    De wisselwerking tussen beeld en commentaar is optimaal. Je kijkt veel beter en langer dan je anders zou doen. Uiteraard is dit geen boek om in één ruk uit te lezen maar veeleer een aantrekkelijk en uitnodigend naslagwerk waar je naar terugkeert, ook als je niet iets bepaalds zoekt. Heel boeiend zijn de spreadsheets gewijd aan thema’s en genres zoals het naakt, dieren, mythen, religie, historie, stillevens, abstractie, oorlog, portretten en zelfportretten. De nevenschikking van wat kleiner afgebeelde werken uit verschillende periodes en culturen is hier een echte eye-opener.

    De enorme kunstproductie uit Afrika, Amerika, Azië, Europa en Oceanië weergeven met 500 ‘belangrijkste werken’ heeft de samenstellers gedwongen tot een strenge selectie. De westerse kunst krijgt weliswaar nog een klemtoon (vooral in de middeleeuwen, renaissance en negentiende eeuw), maar het boek bevat ook talrijke, bij ons nog te weinig bekende Afrikaanse en oosterse meesterwerken. Prachtig zijn bijvoorbeeld het kalkstenen reliëf uit Persepolis (ca. 500 v.C.), de vyala (een leeuwachtig wezen) uit Noordoost-India (5e eeuw n.C.), de beelden van diverse zittende boeddha’s en één lopende, een precolumbiaans regengodpotje (ca. 1100-1400 n.C.), de tekening in inkt op papier ‘Overzicht van het Diamantgebergte’ van Jeong Seon (1734). Jammer vind ik daarentegen dat er geen Cycladenidool is opgenomen.

    Eigen aan Kunst, uitgelicht is ook dat lang veronachtzaamde vrouwelijke kunstenaars uit het vergeetboek worden gehaald: Rachel Ruys met een verbluffend ‘Stilleven met fruit en insecten’ (1711), Catharina van Hemessens ‘Zelfportret achter de ezel’ (1548), het ‘Ontwakend meisje’ (ca. 1877-1878) van Eva Gonzalès, de enige formele leerling van Édouard Manet. In de afdeling hedendaagse kunst vind je behalve werk van bekenden als Paula Rego en Louise Bourgeois ook een fascinerende kleurenlithografie van de zwarte activistische Faith Ringgold ‘The Sunflower Quilting Bee at Arles’ (1996).

    Bij de moderne en hedendaagse kunst heeft het team van experten dat dit boek schreef wel enkele steken laten vallen. Onverklaarbaar is de afwezigheid van Marcel Duchamp, wiens ‘Het grote glas’ toch een van de invloedrijkste werken van de 20e eeuw is. Ook belangrijke stromingen als het minimalisme en de conceptuele kunst ontbreken. En kun je de beeldende kunst van de twintigste eeuw representatief weergeven zonder werk van Max Ernst, Hans Arp, Joseph Beuys of Richard Serra? Positief is dan weer de aandacht voor streetart, postkolonialisme en feminisme in de kunst.

    Het boek mag eruitzien als het zoveelste salontafelboek, de schat aan informatie die het bevat, het mondiale perspectief, de schitterende afbeeldingen en de leerrijke annotaties maken het tot veel meer. Het dompelt je onder in de kunst(geschiedenis), schilder- en beeldhouwtechniek, iconografie en iconologie. En vooral bevestigt het, door zijn aantrekkelijke vormgeving en boven op zijn didactische kwaliteit, de uitspraak van Mark Rothko: ‘Een schilderij gaat niet over een ervaring. Het is een ervaring.’

    Aliki Braine e.a.: Kunst, uitgelicht, Lannoo, Tielt, 2025, 479 p., ISBN 9789020927436. Vertaling van Art, annotated, vertaald door Sander Buesink en Joost Zwart