
Onder een wat te veelomvattende titel bundelt Stéphane Symons, hoogleraar esthetica en cultuurfilosofie (KU Leuven), essayistische beschouwingen over tekenen in het algemeen (dus niet enkel de tekenkunst) en in het bijzonder over het ongewone tekenen in de twintigste eeuw. Tekenen en filosofie gaan volgens hem niet makkelijk samen. Waar de filosofie streeft naar waarheid en wijsheid, is het tekenen dat hij bespreekt veeleer uit op het ontsnappen aan betekeniskaders.
Binnen zowel de westerse als de oosterse cultuurgeschiedenis is tekenen lange tijd verbonden geweest met de filosofische zoektocht naar waarheid en wijsheid. In de renaissance sloeg de notie van disegno op de vertaling van het wezenlijke van een ding of verschijnsel naar de lijnen en motieven van een tekening. In de oosterse traditie ging het niet om een onveranderlijke essentie maar om de veranderlijkheid van al wat is, een onherhaalbaar nu-moment. Ook is er nog een verband tussen filosofie en tekenen als oefening in het leren loslaten, het afscheid nemen.
Symons’ opzet is niet tekenkunst vast te leggen in een definitie of gedeelde essentie. Hij brengt vier bijzondere individuen op het toneel wier tekenpraktijk hij bespreekt vanuit hun eigen specifieke filosofie van het tekenen. Ondanks de verschillen tussen Walter Benjamin, Agnes Martin, Janmari/Deligny en Eva Hesse verhouden ze zich alle vier tot een wereld waaraan fundamentele waarheden onherroepelijk ontzegd zijn. Ze vragen aandacht voor ‘niet-betekenende’ lijnen die geenszins verwijzen naar een voorgevormde en vooraf bestaande ‘inhoud’, dus om een confrontatie met betekenisloosheid.
Tekenen opent bij hen een ‘verjongende’, lichamelijke apperceptie (Benjamin), een ‘perfectie’, ‘vreugde’ en ‘geluk (Martin), een productieve ‘dwaallijn’ (Janmari) en een onverwachte ‘logica binnen de wanorde zelf’ (Hesse). In een uitgebreid eerste hoofdstuk gaat de auteur in op de profane verlichting die tekenen onder mescaline-invloed (in de jaren 1930) de filosoof en cultuurcriticus Walter Benjamin heeft gebracht. Benjamin rekent, ook in zijn essays over o.m. het surrealisme, af met de aanmatigende waarheidsclaims van romantici met hun geloof in absolute waarheden en spirituele kennis. Veeleer sluit hij zich aan bij Friedrich Hölderlins desoriënterende esthetica van de ‘cesuur’ of breuk in het kunstwerk.
Benjamin maakte tijdens zijn experimenten met drugs in een catatonische roes bijna ongrijpbare woordtekeningen in cirkels, lussen en spiralen waarin hij woorden in elkaar laat metamorfoseren. Enkele ervan staan in dit boek afgebeeld. Ze zijn automatisch schrijven en automatisch tekenen in één. ‘Tekenen getuigt volgens Benjamin van een productieve afstand ten opzichte van zowel de wereld als het eigen, bezielde lichaam’. Hij wil een woordeloze taal terugvinden, en vindt in de complexe confrontatie tussen droombeelden (uit het verleden) en werkelijkheid (bv. ook in de Parijse passages) een verlossend moment. Hij schrijft aan de woordeloze, beeld-achtige taal van zijn abstracte tekeningen een kracht toe die iets cruciaals en hoopvols te zeggen heeft aan de zogenaamd ‘echte’ wereld.
Drie iets minder uitgebreide beschouwingen wijdt Symons aan de rechte lijnen en open cirkels die Agnes Martin, de autistische Janmari en Eva Hesse tekenen in de jaren 1960. Agnes Martin tekent met een liniaal horizontale rechte lijnen die door verticale tot rasters worden doorkruist. Kunsthistorisch wordt haar werk gelieerd aan het abstracte expressionisme en minimalisme, schrijft men er spirituele betekenis aan toe of wijst men op de mythische kracht van het raster. Symons beklemtoont daarentegen met Gilles Deleuze de niet-betekenende, niet-representatieve en niet-illustratieve aard van de lijnen. Hij wijst op de dubbele rol van de tekenende hand: ze maakt een gevoel van perfectie en continuïteit waarneembaar. Tegelijk registreert ze ‘materiële imperfectie én roept een immaterieel gevoel van perfectie op.’
Ook de tekeningen van de ernstig autistische Franse jongen Janmari, bestudeerd door waarnemingen en analyses van de pedagoog Fernand Deligny, herhalen een enkele lijn, nu in niet-gesloten cirkels. Deligny ontdekte dat ze een terugtrekking, een afstand houden van de wereld tonen, net als de dwaallijnen die de jongen al lopend creëert. Toch kun je Janmari’s tekeningen niet als volstrekt oncommunicatief beschouwen. Ze drukken ‘het potentieel voor onvoorziene verandering uit via elementen die inherent zijn aan het tekenen zelf’. Die transformatie zit vervat in de meest alledaagse momenten en objecten.
Bij Eva Hesse zijn de rechte lijnen vooraf op ruitjespapier gedrukt, waarin ze kleine cirkels zich een weg laat banen door de vierkantjes van het raster (zie de afbeelding op de cover). De wanorde, die Hesse ook in haar driedimensionale installaties omarmt, is een gewénste wanorde; de kunstenaar laat ruimte voor uitbreiding en benut zo, net als Martin en Janmari, ‘het volledige, wellicht zelfs oneindige potentieel van de lijn’.
Filosofie van het tekenen verruimt de kijk op tekenen en tekenkunst op soms onverwachte, originele wijze, via het werk en het denken van vier ‘buitenbeentjes’. Zijn boek is geen gemakkelijke lectuur en de herhalingen in het betoog, dat gesteund wordt door een uitgebreid eindnotenapparaat, zijn welkom – evenals de reproducties van tekeningen van de vier individuele tekenaars. Symons’ visie opent mogelijkheden tot herinterpretatie van werk van andere kunstenaars zoals Henri Michaux, die net als Benjamin onder invloed van psychedelica heeft gewerkt, of het oeuvre tussen tekenen en betekenen van Cy Twombly.
Drie storende foutjes zijn aan het oog van de eindredactie ontsnapt: de gewaardeerde Belgische essayist heet niet Dirk Lauwers maar Dirk Lauwaert (9), het onderschrift bij de beroemde Parijse passage is niet de ‘Passage des Panaromas’ maar ‘Panoramas’ (50) en in de slotzin moet ‘ben7t’ uiteraard worden gelezen als ‘benut’.
Stéphane Symons: Filosofie van het tekenen. LannooCampus, Tielt, 2026. 147 p., € 25,99 ISBN 9789079967209