Tag: kunsttheorie

  • Maar is het kunst?

    Cynthia Freelands lichte kunsttheorie


    De tijd waarin kunst vereenzelvigd werd met schoonheid is allang voorbij. Hedendaagse kunstenaars gebruiken bloed in hun performances of fotograferen een crucifix drijvend in urine, beeldhouwers hebben rottend vlees met maden tentoongesteld. Met dit ruwe ontwaken begint de Amerikaanse kunstfilosofe Cynthia Freeland haar populairwetenschappelijk overzicht van de kunst en de kunsttheorie.

    Ze vergelijkt die excentrieke kunstuitingen met oude rituelen, gaat in op de discussie over smaak en schoonheid en zet en passant de esthetica van Hume en Kant uiteen. Ze probeert weinig overtuigend de Piss Christ van Serrano te verdedigen (waarbij ze in hoge mate steunt op Lucy Lippard) en ziet in het verontrustende werk van Goya diens voorloper. De verschillen zijn echter te groot om haar idee van continuïteit geloofwaardig te maken.

    Aan de hand van de Griekse tragedie bespreekt ze de imitatietheorie en maakt vervolgens een sprong naar de kathedraal van Chartres, de geometrische tuinen van Versailles en Wagners Parsifal. Wie daarnaast Andy Warhols Brillo Boxes als kunst wil beschouwen, moet zijn toevlucht nemen tot de pluralistische theorie van Arthur Danto, die stelt dat pas de historische en institutionele context iets tot kunst maken.

    Voordat de auteur de vraagstukken van betekenis en waarde verder uitdiept, maakt ze een paar nieuwe tours d’horizon. Ze heeft het in journalistieke stijl over de randgebieden van kunst en kunstnijverheid en de interculturele kruisbestuiving, over marktmechanismen in het verhandelen en tentoonstellen van kunst, en over kunst en gender. Het laatstgenoemde hoofdstuk is interessant voor wie wil kennismaken met politiek correct denken. ‘Weg met de canons’ en ‘Meer canons opblazen’ zijn veelzeggende tussentitels, die vreemd aandoen in een boek dat hedendaagse kunst voortdurend wil legitimeren door vergelijkingen met de traditie.

    Een triptiek van Francis Bacon vormt een casestudy om het begrip interpretatie toe te lichten: de auteur wijst zowel een formalistische als een psychobiografische interpretatie af en pleit voor een ‘cognitieve kunsttheorie’, voortbouwend op de instrumentele kunstopvatting van John Dewey. De invulling blijft echter bijzonder vaag. Het slothoofdstuk is gewijd aan het digitaliseren en reproduceren van beelden, een aanleiding om in te gaan op de ideeën van Walter Benjamin, Marshall McLuhan en Jean Baudrillard. Tussendoor krijgen de MTV-clips een veeg uit de pan en wordt webkunst onkritisch de hemel in geprezen.

    Ondanks de uitgebreide bibliografie en het gedetailleerde register is dit boek niet meer dan een oppervlakkige terreinverkenning waarbij ongelooflijk wordt gezigzagd tussen halfbegrepen theorieën en wissewasjes uit de wereld van de kunst. Verscheidenheid, of liever: verstrooiing lijkt hier een doel op zich te zijn geworden. Het boekje bevat illustraties in kleur en zwart-wit. De vertaling laat zeer te wensen over: dezelfde cruciale kunstdefinitie van de antropoloog Richard Anderson wordt twee keer verschillend vertaald en naar woorden als ‘kunst’ en ‘interpretatie’ wordt op zijn Engels met een onzijdig voornaamwoord verwezen.

    Cynthia Freeland: Maar is het kunst? Een inleiding in de kunsttheorie. Amsterdam: Prometheus 2004. 215 p.