Tag: kunstkritiek

  • Kijken met Rudi Fuchs

    Kijken met Rudi Fuchs

    Kunstenaars zeggen soms smalend over kunstcritici dat ze niet kunnen kijken. Kunstliefhebbers ergeren zich aan het jargon waarmee ze in catalogi of op tentoonstellingen om de oren worden geslagen. Rudi Fuchs kun je die twee dingen niet verwijten. Van opleiding kunsthistoricus (hij schreef o.m. een grondige studie over Rembrandt in Amsterdam), is hij bijna heel zijn leven actief geweest als directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, Gemeentemuseum Den Haag en het Stedelijk Museum in Amsterdam.

    Hij heeft een levendige verhouding tot de 20ste-eeuwse en hedendaagse kunst, zoals in 2002 bleek uit zijn lijvige boek Tussen kunstenaars: een romance, dat onder meer boeiende en uitgebreide verslagen bevatte van gesprekken en atelierbezoeken. Meerdere edities beleefde zijn even heldere als scherpzinnige overzicht van duizend jaar Schilderen in Nederland. Sinds anderhalf jaar schrijft hij onder de titel ‘Kijken’ een column in De Groene Amsterdammer. De eerste 72 stukken zijn nu gebundeld in een fraai ‘leesboek over kunst’.

    Fuchs gebruikt de columns niet om zijn uitgebreide kennis van kunstenaars en stromingen te etaleren of kanttekeningen te maken bij de huidige kunstwereld, maar concentreert zich op waar het eigenlijk om gaat: het kijken naar kunstwerken. Dat kun je intensiveren en scherp stellen door er woorden voor te zoeken, ook al besef je dat de originaliteit van een kunstwerk vooral datgene is wat aan beschrijving ontsnapt. Aan theorie heeft hij in dit boek een broertje dood.

    Zelfs het voorwoord, waarin hij oorspronkelijk theoretische opmerkingen wilde maken, heeft plaatsgemaakt voor de neerslag van zijn gesprekken in het atelier van Jannis Kounellis over een van de voor Fuchs paradigmatische kunstenaars van de 20e eeuw, Piet Mondriaan. Op het eerste gezicht twee kunstenaars van wie het oeuvre ver uit elkaar ligt, maar het fascineert hem ‘hoe kunstenaars naar het werk van anderen kijken alsof het nog gemáákt wordt en voordat het voltóóid is’. Kounellis blijkt bijvoorbeeld geboeid door de afwezigheid van schaduw bij Mondriaan, met lijnen die scherp zijn maar ook licht van gewicht. Het kijken naar hedendaagse kunst brengt Fuchs er dan weer toe om met andere ogen naar oudere kunst te kijken, de zoektocht en de keuzes van de kunstenaar bij het creëren van het werk in gedachten over te doen.

    Vooral in de eerste helft van deze bundeling valt de constante aandacht voor het ontstaansproces op. Enerzijds leidt de auteur dat af uit een nauwgezette beschrijving van hoe het besproken schilderij, de tekening, de sculptuur, de assemblage of het videowerk in elkaar zit. Anderzijds – en dit weerlegt de soms wat schampere kritiek dat Fuchs alleen aan close reading doet – betrekt hij zijn vertrouwdheid met de eigenschappen van het gebruikte materiaal en de conventies van het genre in zijn stukken, en lardeert hij ze met wat hij weet over het werk- en installatieproces en de achtergrond van de kunstenaar.

    Omdat je beter kijkt als je vergelijkingsmateriaal hebt (hoe verschillend en weinig voor de hand liggend dat ook is), trekt Fuchs naar het einde van zijn stukjes toe vaak een verrassende parallel. Tussen een laconieke ets van Rembrandt bijvoorbeeld en een droge registratie ‘Circle of Autumn Winds’ van de wandelende Richard Long. Tussen een ‘Schüttbild’ van Hermann Nitsch en de stralende lichtkrans in Bernini’s ‘Extase van de heilige Teresa’. Of tussen een gelaagde marine van Jean Brusselmans en de semi-abstracte verfbanen op een titelloos doek van Robert Zandvliet. En het verrassendst van allemaal: tussen de bedachtzaam gecomponeerde kopergravure ‘Die Weyhnachten’ van Dürer en slechts schijnbaar ordeloze compositie van Jan De Cock.

    Soms moet de juxtapositie het vooral van de reproducties hebben, omdat Fuchs, vermoedelijk door de dwang van de een-pagina-column, te weinig ruimte heeft om de vergelijking uit te werken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de sculpturele constructie van drie gootvormige ringen van Bruce Nauman en een van de iglo’s van Mario Merz. Maar omdat dit leesboek ongemerkt een leerboek wordt, begin je als lezer zelf ook formeel te kijken.

    Het spectrum van de behandelde kunstenaars is breed en omvat zowel oude(re) (Jacob van Ruisdael, Caravaggio, Lucas van Leyden, Munch, Bonnard, Malevich) als recente(re) kunstenaars (Tracey Emin, Dennis Hopper, Robert Mangold, Imi Knoebel). Heel wat stukken zijn door de trefzekerheid in waarneming en formulering echte blikopeners, bewonderenswaardig in zo’n kort bestek. Ik denk o.m. aan de lijn die getrokken wordt tussen Joseph Beuys en diens ogenschijnlijk klassieke leermeester Ewald Mataré, aan de verbluffende parallellen tussen de Laokoön-groep en een assemblage uit stukken autocarrosserie van John Chamberlain, aan de ideale inleidingen in het subtiele steenhouwerswerk van Ulrich Rückriem, het de ruimte herdefiniërende ‘maatwerk’ van Stanley Brouwn en het gebruik van grote figuurlijke motieven in het typische idioom van de abstracte kunst door Jeroen Henneman. Het stukje over Rembrandts ‘De staalmeesters’ is een zeldzaam voorbeeld van hoe kennis van de (afwijking van) verwachtingen over een schildergenre het meesterschap ervan kan bewijzen.

    Op dit punt ontgoochelt het zich toespitsen op formele beschrijving de lezer wel eens. Wanneer namelijk de kwaliteit van het besproken werk ondermaats is (de appelschilderijen van Ina van Zyl bijvoorbeeld of een vroeg voetbalveld van Raveel) vraag je je af of scherp kijken en oordelen niet toch twee verschillende werelden zijn. Beschrijven kan je immers alles, maar als dat alleen maar uitmondt in een wat stereotiepe bewondering van de ‘schoonheid’ – een in de moderne en hedendaagse kunst toch niet onproblematische categorie – worden ook de grenzen van deze kunstbeschouwing duidelijk. Voor het euvel echter dat te vaak wordt geoordeeld zonder voorafgaand nauwkeurig te kijken en het ontstellende feit dat de gemiddelde museum- of tentoonstellingsbezoeker niet langer dan negen seconden bij een schilderij blijft staan, is dit boek een schitterend antidotum.

    Rudi Fuchs, Kijken. Een leesboek over kunst, Ludion 2011, 171 p., 24,90 euro.