366 Toevalligheden is een intrigerend kunstenaarsboek van Maria Blondeel (*1963), waarin toeval en betekenis elkaar voortdurend uitdagen. Als intermediakunstenaar benadert Blondeel het boek als een archief: een verzameling sporen, restanten en echo’s van eerdere beeld- en geluidsinstallaties, vastgelegd in fotogrammen die ontstaan zijn door de directe inwerking van zonlicht op lichtgevoelig papier. Blauwdrukken – ooit het instrument bij uitstek voor de exacte plannen van architecten – verliezen hier hun functionele precisie en openen zich voor poëzie en verbeelding.
De beelden tonen meerduidige – nu eens biomorfe, dan weer alledaagse objecten oproepende vormen – die de kijker en lezer uitnodigen om te associëren en te interpreteren. Ze verleiden door wat net niet (her)kenbaar is, en lokken vergelijkingen uit met zowel de Rorschachtest als het werk van Jean Arp. In de geest van het tachisme schommelen ze tussen intentie en toeval, altijd met het besef dat betekenis hier niet vooraf vastligt, maar ontstaat in de ontmoeting met de waarnemer. Het zijn open kunstwerken, waarin de mens zinzoeker en zingever wordt.
Het spel van licht en schaduw lijkt aan de basis te liggen van deze beelden: kunst als schaduwspel, balancerend tussen herkenbaarheid en onbepaaldheid. Dat spanningsveld roept filosofische reflecties op, van Plato’s grot tot de suggestieve kracht van wat slechts ten dele zichtbaar is. Daarnaast weerklinken literaire echo’s, zoals die van Mallarmés Un coup de dés, in zogeheten blauwdrukverzen: korte splinters van woorden uit gevonden teksten.
Het boekontwerp van dit kloeke volume (800 pagina’s) van de hand van Tina De Souter is bijzonder origineel. In de witte kaft zijn bijvoorbeeld de pin holes gestanst waardoor het licht de blauwdrukken met die titel deed ontstaan. Ook nodigt het boek uit tot het afwisselen van de lees- en kijkrichting.
366 Toevalligheden expliciteert niet zoals een klassiek kunstboek dat doet. Het suggereert en verleidt – geheel eigen aan het kunstenaarsboek als impliciete vorm. Verspreid over negentien projecten, in relatie tot geluids- en andere installaties (aangegeven per jaar maar grillig gerangschikt) blijven de technische procedés bewust wat cryptisch. Daarin schuilt hun kracht: de resultaten blijven fascineren en nodigen telkens opnieuw uit tot kijken, denken en dwalen.
Maria Blondeel, 366 Toevalligheden, Self-published in een beperkte oplage. Stichting Liedts-Meesen 2026. Verkrijgbaar via Maria Blondeel Atelier atelier@mariablondeel.be of Emergent galerie@emergent.be. € 65.
Al vijftien jaar brengt Bart Lodewijks (1972), gewapend met waterpas en krijt, geometrische tekeningen aan op gevels, muurtjes en straten – van Antwerpen en Gent tot in Glasgow en Rio. Van 2012 tot 2015 werkte hij in drie periodes in het stadje Sligo aan de noordwestelijke Ierse kust. Sligo Drawings documenteert in korte maar spitse teksten (tweetalig Nederlands/Engels) en kleurenfoto’s waar en hoe elk werk is ontstaan.
Lodewijks hecht veel belang aan de interactie met de omgeving, zowel ruimtelijk als menselijk. Hij vertelt pretentieloos hoe mensen hem op zijn werk aanspreken, wat ze hem over de buurt toevertrouwen, meedelen over hun zorgen, angsten en kleine geluk. Soms heeft het veel voeten in de aarde voor hij de toestemming krijgt om op hun tuinmuur of gevel te tekenen. Soms is het vertrouwen zo groot dat hij binnenskamers een wand- of plafondtekening mag maken.
Het is wonderlijk hoe de onthechte en geometrische tekeningen – meestal evenwijdige dikkere en fijnere lijnen, op wisselende afstand en in veranderende richting – inwerken op hun vaak ‘banale’ omgeving. Ze tillen de doodgewone realiteit op, geven een saai tweedimensionaal vlak diepte, herstellen iets in eer. Een afgebrokkeld kademuurtje wordt, weliswaar alleen voor het oog en slechts vanuit één standpunt, door de tekening op de muur erachter gerepareerd. Langs een troosteloze kade verschijnt in zigzaglijnen een modernistische stoel op een muur. Op een van de stenen van een megalithisch graf suggereert een segment van een boog een ingangspoort.
De kunstenaar spreekt zich tegen de buurtbewoners en ook tegen de lezer niet uit over de betekenis. Wel geeft hij soms hun interpretatie weer. ‘De tekening doet de kinderen denken aan Minecraft, een computerspel’, zegt een voorbijganger. ‘”Het lijkt op de doodskist van mijn opa”, zegt een wijsneus. “U breidt alsmaar uit, dat is bij Minecraft ook zo”, zegt een jochie enthousiast.’
Het belangrijkste lijkt het tekenen zelf en vooral dat het niet afgeschermd gebeurt. Juist dat lokt reacties en contact met de buurt uit. Achterdocht wijkt voor vertrouwen, onverschilligheid wordt belangstelling. Misschien is de vergelijking iets te zwaarwichtig, maar wat de historische avant-garde voor ogen stond – het overwinnen van de scheidslijn tussen kunst en leven – dat lijkt Lodewijks moeiteloos te lukken. Technisch is krijttekenen echter lang niet gemakkelijk. De ondergrond is vaak weerbarstig, oneffenheden bemoeilijken het trekken van rechte lijnen, krijt verpulvert snel tot stof en zeker is dat de tekeningen buiten na enkele regenbuien verdwijnen.
Die vluchtigheid geeft extra waarde aan het creatieproces ter plekke en uiteraard aan de foto’s die ervan gemaakt worden, sommige gelukkig ook vanuit verschillende gezichtshoeken. Op zijn minst doen de krijttekeningen als dagdromen hun omgeving stralen, wijzen ze in het deprimerend alledaagse op andere mogelijkheden. Op hun best, onder meer in de slottekening die los van de context op het omslag is afgebeeld en blijkens de laatste foto bij een voormalig openluchtzwembad is aangebracht dat uitloopt in zee (Rosses Point, Dead Man’s Point), lijken het magische sporen, nagelaten door iets groots dat alweer uit het zicht is verdwenen.
Bart Lodewijks, Sligo Drawings, Roma Publications, Amsterdam, 2016, 120 p., € 22, ISBN 9789491843549
Wie oppervlakkig kijkt, zou Vertikal Klub zo tussen de glossy magazines in een tijdschriftenkiosk kunnen zien liggen. Een bekende figuur die in volle lengte poseert op de cover: de kunstenaar Chéri Samba, in tweevoud zelfs. De rugcover doet aan een economisch weekblad denken. Nikolas Sarkozy, Angela Merkel en Gordon Brown – de ene staat op een schavotje, de tweede (‘Modell Deutschland’) stevig met beide voeten op de vloer, waar de derde nog net niet met zijn hoofd in is verdwenen. Bijschrift: ‘Europe’s new pecking order’.
Die titel en die foto’s zijn niet door Willem Oorebeek (1953) zelf gemaakt. Hij beoefent een vorm van ‘Appropriation Art’. Hij eigent zich beelden uit de gedrukte media toe, bewerkt ze en plaatst ze in een nieuwe context.
Hét kenmerk van de graficus Oorebeek is het werken in zwart-wit. Daar gaat hij soms heel ver in. In zijn Black-out reeksen drukt hij persfoto’s haast helemaal zwart af. De afbeelding is nog nauwelijks herkenbaar, maar tegelijk ontstaat er een esthetisch surplus van tot nadenken aanzettende informatie. Soms drukt hij diverse covers van een tijdschrift, bijvoorbeeld Elle of Time, in lagen boven elkaar. Je krijgt een omslag in veelvoud, een concentraat van de look waar het tijdschrift precies door die vervreemding zijn ‘ware gezicht’ toont.
In een reeks installaties sinds 1994 behangt hij de wanden van een galerie of museum met levensgrote foto’s van figuren uit modebladen, advertenties, uitnodigingen of kranten. Hij brengt ze samen onder de noemer Vertical Club (met c), de naam van een fitnessclub in New York uit de jaren ’80, waar een select gezelschap van sterren en bekendheden samenkwamen in een stimulerende sfeer van seks, drugs en een vleugje zweet.
De publicatieVertikal Klub (met k), beschreven als een handleiding voor toekomstige installaties, drijft de toe-eigening op de spits. Oorebeek gebruikt hier niet alleen bestaande beelden, hij hanteert ook ‘toelatingscriteria’. Die zijn – in de fitnessclub zal het niet anders zijn geweest – niet altijd doorzichtig. De duidelijkste zijn: de figuur moet van top tot teen worden afgebeeld, recht in de cameralens kijken en mag niet in interactie gaan met andere figuren.
De levensgrote afbeelding op de tentoonstelling wordt hier meestal een paginagrote afbeelding, eveneens in zwart-wit. Dat laatste haalt meteen een van de belangrijkste eigenschappen van de bronafbeelding weg: de kleur die beeld en product meestal verleidelijk maken. De grijstonen van de afbeelding scheppen ruimte voor afstand en kritische reflectie.
Elke poserende figuur gaat vergezeld van een commentaar in het Engels: een korte beschrijving van de context, een analyse van hoe hij of zij poseert en wat dat zegt over de bedoeling van de mediastrategen en/of de tijdgeest. Soms wordt die aangevuld met een wat filosofischere>meer filosofische of cultuurkritische ‘editor’s note’. Er volgt een lijstje van publicaties en tentoonstellingen, met als eerste de bron waaruit de foto komt. Ten slotte de ‘Vertical Club status’, die zowel de gebruikte techniek (bv. lithografische druk op Japans papier) vermeldt als het feit of en de motivering waarom een figuur tot de club wordt toegelaten (soms gewoon ‘diagnosis forthcoming).
Het eigenaardige is dat waar Oorebeek vroeger de figuur door zwarting of superpositie bijna onleesbaar maakte, die quasi onleesbaarheid nu grotendeels de tekst betreft die over de afbeelding heen is gedrukt. Het lijkt of de beelden die spelen in een wereld van commercie, macht en roem, de reclamewereld van verborgen verleiding dus, ook in deze nieuwe context hun geheim maar moeilijk prijsgeven. Met enige moeite, die je dwingt tot grondig kijken en heen en weer focussen tussen tekst, ‘figuur’ en ‘achtergrond’, zijn de bijschriften best ontcijferbaar.
De wisselwerking van tekst en beeld zorgt voor een soort zwarte magie. De blik draait weg van de kleding, de kunstenaar, de beroemdheid of de politiek waarvoor de reclame is bedoeld. Je krijgt oog voor doorgaans onopgemerkte anomalieën, paradoxen en kunstmatige ingrepen die de ogenschijnlijk natuurlijke band tussen werkelijkheid en representatie behoorlijk compliceren.
De opeenvolging van bekende personages, beroemde of anonieme modellen en toevallig poserende mensen die elkaar in een verwant formeel kader afwisselen, werkt tegelijk grappig en onthutsend. Er komen subgenres aan het licht, bijvoorbeeld de al dan niet gefotoshopte tweeling of drieling die de identificatie voor de consument (‘ook ik draag die trui!’) moeten vergemakkelijken. Of de man respectievelijk twee jonge vrouwen in zware werkkleding die het na de afbouw van de zware industrie in Europa tot modieus hebbeding heeft geschopt.
Of nog, want het seksisme is de wereld nog niet uit, de ‘subcategorie’ van vrouwen met wijd gespreide benen, in het commentaar ironisch gepareerd met het zinnetje ‘The need for extra leg space is a familiar obstacle (see pp. 5, 7, 23, 55).’ Zoals dit citaat toont, wordt de lezer uitgenodigd heen en weer de bladeren en de modellen – in de dubbele betekenis van mannequins en door de maatschappij gepropageerde voorbeelden – met elkaar te vergelijken.
Dat deze publicatie niet saai of voorspelbaar wordt en je de inspanning van het ontcijferen en bestuderen volhoudt, dankt ze aan enkele verrassingen. In de verticale figurengalerij duiken brechtiaanse vervreemdingseffecten op wanneer een figuur een kopie van zichzelf in de hand blijkt te houden, met haar bolletjesjurk opgaat in de achtergrond van dito behang, niet staat maar knielt of hurkt of een spontaan jongetje dat nergens reclame voor maakt. Maar hoelang duurt het voor ook deze laatste wordt gecommercialiseerd?
Ironisch is het commentaar bij een typische foto ‘vóór en na’ van een vrouw die wil gaan fitnessen: ‘Being member of the club makes the difference – you get a bulky bag!’. Of bij de ‘Fatal dress’ van Wolford: ‘looks more like an overall pantyhose than a dress, which could be turn out to be fatal indeed’. Vertikal Klub is een kunstenaarsboek dat, ook al is het op knipselmateriaal gebaseerd, niet zozeer archiveert als wel activeert: om de haast dood gereproduceerde wereld van pers en reclame, waarin alles al gezegd en getoond lijkt, met andere ogen te bekijken, te bevragen en weer de wrijving van het beeldend denken te voelen.
Willem Oorebeek, Vertikal Klub, 64 pagina’s, formaat 20,5 x 27 cm, oplage: 500 genummerde exemplaren, NN Editions, Brussel, 2013, prijs 55 €