Tag: kunst van vrouwen

  • Susie Hodge: De kleine geschiedenis van vrouwen in de kunst

    In musea en kunstpublicaties is de laatste jaren een duidelijke inhaalbeweging te zien om kunst gemaakt door vrouwen een volwaardige plaats te geven. Meer nog dan mannelijke kunstenaars zijn kunsthistorici en -critici er immers lange tijd van uitgegaan dat vrouwen geen rol van betekenis in de kunstgeschiedenis hebben gespeeld. Met haar gids De kleine geschiedenis van vrouwen in de kunst bewijst Susie Hodge het tegendeel.

    Het overvloedig (zij het soms op klein formaat) geïllustreerde boek geeft chronologisch en systematisch een overzicht van de kunst van vrouwen vanaf de renaissance tot nu. Het is opgedeeld in stromingen, werken, thema’s en doorbraken. Kruisverwijzingen onderaan de bladzijde leggen onderlinge verbanden, waardoor een facettenrijk beeld ontstaat.

    Het valt op dat vrouwen in haast alle kunststromingen vertegenwoordigd zijn. Het eerste deel leest dan ook als een doorlopende kunstgeschiedenis, te beginnen met renaissance, maniërisme, de Nederlandse Gouden Eeuw, barok, rococo, neoclassicisme, naturalisme, impressionisme enzoverder, tot en met pop art, nouveau réalisme, feministische kunst, performance en conceptuele kunst in de eerste decennia van de 21e eeuw. Ook aan stromingen waarbij je dat minder verwacht zoals kubisme, futurisme en suprematisme blijken vrouwen een eigen bijdrage te hebben geleverd.

    Voor elke stroming worden eerst belangrijke kunstenaars opgesomd, de achtergronden en ideeën beknopt en helder uiteengezet. Er wordt telkens ook gewezen op belangrijke ontwikkelingen en de plaats van de vrouw in de kunstwereld. Hoewel ze in de minderheid bleven, werden ook vrouwen in de 16e en 17e eeuw lid van schildergilden en academies.

    Het meest uitgebreide deel gaat in op zestig vooraanstaande werken. Een kaderstukje geeft informatie over de opleiding van de kunstenaar en de receptie van haar werk. De biografische notities wijzen ook nadrukkelijk op (toenmalige) successen. Zelfbewust als past bij de renaissance, opent dit deel met ‘Zelfportret aan de ezel’ van Sofonisba Anguissola. Ze stamt niet uit een kunstenaarsfamilie (ongewoon voor die tijd) en blijkt onder meer opgeleid door Michelangelo Buonarotti. Vervolgens springt de verscheidenheid van genres in het oog dat door vrouwen werd beoefend: lang niet alleen portretten, stillevens en bloemstukken, maar ook religieuze en mythologische taferelen, landschappen, naakten en zelfs militaire onderwerpen.

    Prachtig is het ‘Stilleven met kazen, artisjok en kersen’ van Clara Peeters, een pionier in schilderen van stillevens in de Republiek der Nederlanden. Het wordt terecht op twee volledige bladzijden gereproduceerd. Schitterend het ‘Zelfportret als allegorie van de schilderkunst’ van Artemisia Gentileschi, lange tijd een van de weinige vrouwen die bekend bleven. Heel opmerkelijk is ‘Timoclea duwt haar verkrachter in de put’ van Elisabetta Sirani, waarop het slachtoffer de dader met een gebaar als van een verkrachtende man zijn misdrijf betaald zet.

    Tot de beste werken behoren ook ‘Blauw interieur’ van de Noorse Harriet Backer, tussen naturalisme en impressionisme, het rayonistische ‘Fietser’ van Natalja Gontsjarova en ‘De blauwe kamer’ van Suzanne Valadon, een post-impressionistisch tegenwicht voor de onrealistische vrouwenfiguren die mannen schilderden. Een revelatie is ‘Across the Yara’ van de Australische Claire Beckett, een atmosferisch, ‘omfloerst’ beeld bij schemering. Sterk in het abstracte expressionisme is Agnes Martins minimalistische ‘Homage to Greece’ en in de opart ‘Certain Day’ van Bridget Riley.

    Bij de stroming ‘conceptuele kunst’, die Hodge heel breed opvat, werd ik verbluft door ‘Plan’ van Jenny Saville (een vrouwelijk naakt met de tekening erop van de chirurg voor liposuctie). Op het snijvlak van feministische kunst en performance beweegt zich Nora Hatoum met haar ‘Stilleven met granaten’. Uiteraard is hier ook ‘The Artist is Present’ van Marina Abramović opgenomen.

    Het voorlaatste deel van het boek behandelt vanuit historisch perspectief doorbraken of tendensen in de kunst van vrouwen: streven naar gelijkheid, roeping, zusterschap, de rol van Academies, onderlinge solidariteit, handwerk, maatschappijkritiek en dergelijke. Het slotdeel gaat in op tweeëntwintig thema’s die voor vrouwelijke kunstenaars bijzonder aan de orde zijn (geweest) – van zelfportretten en identiteit over gender en lichaamsbeeld tot woede, transformatie, conflict en empathie.

    Door de vernuftige opbouw, de heldere uitleg en de ondanks het korte bestek bereikte diepgang is deze gids een voltreffer. Dat de ruime selectie van werken gebeurde in een globaliserend perspectief is een pluspunt. De keerzijde is dat belangrijke kunstenaars zoals de Oostenrijkse Maria Lassnig, de Franse Sophie Calle of de Zuid-Afrikaans-Nederlandse Marlene Dumas uit de boot zijn gevallen. De kruisverwijzingen zijn evenwel geschikte sleutels om ook andere oeuvres van vrouwen aan de hand van dit boek te ontsluiten.

    Susie Hodge, De kleine geschiedenis van vrouwen in de kunst, Uitgeverij THOTH, Bussum, 2026. 224 p., ISBN 978-90-6868-898-6, € 19,95  


  • Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars?

    Belgische kunstenaressen van 1880 tot nu


    ‘Vrouwen moeten geen kunstenaar zijn, die moeten kinderen kopen.’ Die uitspraak deed niet een 19e-eeuwse burgerlijke patriarch, maar kwam nog in 1991 uit de mond van de vooruitstrevende kunstpaus Jan Hoet. Het bewijst hoe ingebakken het vooroordeel was dat waardevolle kunst enkel door mannen kon worden gemaakt. In 2022 publiceerde Christiane Struyven onder de titel Moeten vrouwen naakt zijn om in het museum te hangen? een overzicht van vijftig internationale topkunstenaressen sinds 1850. Nu corrigeert ze in het op dezelfde leest geschoeide Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? de door mannen gedomineerde geschiedenis van de kunst in België van 1880 tot nu.

    Ondanks de tegenwerking die vrouwen zowel in de maatschappij als in de kunstwereld ondervonden, heeft de auteur chronologisch en zonder noemenswaardige hiaten een ensemble van 51 kunstenaressen bijeengebracht, die zowat alle genres en stromingen van de moderne kunst vertegenwoordigen. Ze verdeelt haar overzicht in vijf tijdvakken: 1880-1920, het interbellum, 1945-1970, 1970-1990 en 1990-2025.

    Per tijdvak wordt in een gedegen inleiding de maatschappelijke context geschetst met bijzondere aandacht voor de positie van de vrouw, vervolgens de vaak door mannen gedomineerde kunst(wereld) en ten slotte een overzichtje van de geselecteerde kunstenaressen. Die worden dan ieder op een volle bladzijde voorgesteld met een karakterisering van hun werk, de belangrijkste biografische gegevens, de ontwikkeling van hun oeuvre en de (soms erg late) blijken van erkenning door prijzen en tentoonstellingen. De helder geschreven teksten worden gevolgd door enkele representatieve werken (doorgaans een drietal), fraai gereproduceerd en beknopt gecommentarieerd.

    Nog eind 19e-eeuw hadden vrouwen geen toegang tot de academie omdat het tekenen naar levend naaktmodel hun zedigheid in gevaar zou brengen. Meisjes uit gegoede kring leerden schilderen bij een familielid en werden daarna verondersteld zich te beperken tot het schilderen van bloemstillevens, huisdieren en kinderen. De weergegeven schilderijen van Berthe Art, Henriëtte Ronner-Knip, Louise De Hem en Alix D’Anethan tonen dat ze in die ‘zachte’ genres hoge kwaliteit bereikten. Sommige vrouwen, vooral in Wallonië, liepen niet in de pas en schilderden in haast apocalyptische taferelen arbeidsters in de Borinage (Cécile Douard) of nachtelijke marines (Marguerite Verboeckhoven).

    Begin 20e eeuw kwam de vrouwenemancipatie in een stroomversnelling; in de meeste Europese landen krijgen vrouwen stemrecht behalve in België. Vanaf 1907 laten kunstacademies meisjes toe. In het interbellum maakte de historische avant-garde korte metten met het academisme. Ze bleef evenwel ondanks het grensverleggende van haar kunst een bastion van heroïsche creatieve mannen. Enkele modernistische vrouwelijke kunstenaars trekken naar Parijs en brengen het postkubisme en constructivisme en het fauvisme mee naar ons land. Schitterend zijn de uiterst gestileerde ‘Tango’ van Marthe Donas (die een tijdlang onder mannelijk pseudoniem exposeerde) en de constructivistische illustraties voor kinderboeken van Elisabeth Ivanovsky. De academische portretten uit deze periode zijn minder overtuigend. 

    Na de Tweede Wereldoorlog maakten Belgische vrouwen als Mig Quinet en Anne Bonnet boeiende abstracte kunst of laat-surrealistische werken (Jane Graverol, Rachel Baes). De grote feministische golf van de jaren zeventig luidt het begin in van zelfbewuste feministische kunst met namen als Evelyn Axell (beïnvloed door de  popart), Tapta (indrukwekkende minimalistische textielsculpturen), Lili Dujourie (een pionier van de videokunst in België) en Ria Pacquée (performances). Chantal Akerman komt in aanraking met het New Yorkse experimentele filmcircuit en maakt hoogst origineel film- en videowerk. Alleen jammer dat haar sublieme tragikomische kortfilm ‘Saute ma ville’ niet in het overzicht van haar werk wordt genoemd.

    Deze en vooral de volgende generatie kunstenaressen breken ook door in het buitenland. Marthe Wéry wordt in 1982 de allereerste Belgische vrouwelijke kunstenaar die ons land vertegenwoordigt op de Biënnale van Venetië. De hedendaagse kunst (2000-2025) telt bijzonder veelzijdige en geëngageerde kunstenaressen, die werken in verschillende media (installaties, objecten, videokunst, fotografie): Marie-Jo Lafontaine, Françoise Schein, Ann Veronica Janssens, Berlinde De Bruyckere, Ana Torfs, Otobong Nkanga en de nog niet zo bekende Sofie Muller. Daarnaast schilderen vrouwen weer vervreemdend figuratief (Karin Hanssen, Ilse D’Hollander, Tina Gillen, Kati Heck e.a.). Hedendaagse kunst heeft nu de wind in de zeilen, kunst van vrouwen nog meer.

    Christiane Struyven heeft niet alleen belangrijke leemtes in de geschiedschrijving van de Belgische kunst sinds 1880 gevuld, maar meteen ook een fraai vormgegeven standaardwerk geschreven, dat tot herziening van de canon noopt. Bij een tweede druk zou de tekst wel zorgvuldiger op taal- en spelfouten moeten worden nagekeken en kan een aantal onnodige herhalingen worden weggewerkt.

    Christiane Struyven: Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? Belgische kunstenaressen van 1880 tot nu, Lannoo, Tielt, 2025, 268 p., ISBN 9789020978926