Tag: hedendaagse schilderkunst

  • London Calling

    Naoorlogse Britse figuratieve schilderkunst

    In een kunstwereld die steeds meer gedomineerd werd door abstractie heeft de naoorlogse Britse schilderkunst vastgehouden aan figuratieve schilderkunst. Daarin stond de menselijke figuur centraal: The Human Clay zoals R.B. Kitaj het in 1976 naar aanleiding van een door hem samengestelde tentoonstelling met een citaat van W.H. Auden karakteriseerde. Grootmeesters als Francis Bacon, Lucian Freud en David Hockney focusten op de menselijke lichamelijkheid. Kitaj gewaagde van een ‘School of London’, niet als samenhangende stroming of stijl maar vanwege de gedeelde fascinatie voor de menselijke vorm.

    De tentoonstelling London Calling in het Kunstmuseum Den Haag (t/m 7 juni 2026), georganiseerd in samenwerking met Tate, brengt deze en andere kunstenaars samen maar bevraagt tegelijkertijd de gebruikelijke canon, ondanks de bekende namen in de ondertitel. Er zijn immers tal van kunstenaars geweest die in de tweede helft van de 20e eeuw de figuratieve traditie trouw zijn gebleven. Onder hen de raadselachtige visuele verhalenverteller Paula Rego, vrouwelijke makers als Celia Paul en Eva Frankfurther of kunstenaars met een niet-westerse migratieachtergrond als Denzil Forrester.

    Al in de confrontatie met het onderwerp verschillen zij. Ging het bij Frank Auerbach en Lucian Freud om een directe confrontatie met een model, gingen anderen zoals Michael Andrews en Francis Bacon meestal uit van een gereproduceerd beeld. Hoe Bacon het mechanisch tot stand gekomen beeld met verf tot leven wist te wekken, illustreert zijn meesterlijke ‘Paralytic Child, Walking on All Fours (from Muybridge’ (1961), dat in de catalogus vergezeld gaat van de oorspronkelijke fotoserie ‘Animal Locomotion’ van Eadweard Muybridge.

    Vergeleken met topwerken van Bacon als ‘Portrait of Isabel Rawsthorne’ (1966) met hun gedeformeerde gezichten als hompen vlees, oogt het werk van Michael Andrews braver, zij het niet minder existentieel. Het oeuvre van Leon Kossoff lijkt dan weer een gevecht met de materie, wat nog meer geldt voor de pasteuze werken van Frank Auerbach, die de voorstelling van model of interieur haast onherkenbaar maken.

    Traditioneler zijn de portretten van mensen uit de werkende klasse door de jonggestorven Joodse vluchteling uit nazi-Duitsland Eva Frankfurther, tegelijk intimistische en maatschappelijk geladen documenten. Die brede maatschappelijke weerklank valt nog sterker op bij de collage-achtige schilderijen als beeldverhalen van R.B. Kitaj, met hun felle kleuren en literaire en historische referenties. David Hockney hanteert na een bij popart en abstractie aanleunende beginfase in het grijze Londen een herkenbare, frisse beeldtaal met heldere kleurrijke vlakken en klare lijnen. Ook hier kun je de foto’s van de poserende figuren vergelijken met wat de schilder ervan maakt.

    Minder bekend is de feministische schilderkunst van Sylvia Sleigh die mannen schildert zoals mannen eeuwenlang vrouwen hebben geschilderd: naakt, onderworpen aan de blik van de kunstenaar. Sandra Fisher doet met fauvistische toets iets soortgelijks. Goed vertegenwoordigd is het oeuvre (portretten, naakten) van Lucian Freud in zijn ontwikkeling van een fijne, geserreerde manier van schilderen (‘Boy Smoking’, 1950-1951, cover) naar de latere losse manier met grove kwasten, een onuitputtelijke verkenning van de menselijke huid.

    Voorbeelden van de blikverruiming die de tentoonstellingsmakers nastreven, biedt de verhalende kunst van Paula Rego, waarin de tastbare werkelijkheid op droomachtige wijze wordt vermengd met onderbewuste driften en gevoelens. In vergelijking met de overige kunstenaars zijn haar schilderijen mysterieus gedetailleerd. Mensen van kleur worden zichtbaar in het oeuvre van Lynette Yiadon-Boakye, in dialoog met een bredere Europese kunsthistorische context. Dat laatste geldt ook voor Denzil Forrester die in felle kleuren en bijna futuristische composities de stadse subcultuur van reggae en club-dance (en het dreigende politiegeweld) oproept. Celia Pauls intimistische portretten van mensen uit haar directe omgeving vallen op door hun indringende blik.

    Twee facetten van de catalogus verdienen extra vermelding: de degelijke, zij het elkaar soms overlappende tekstbijdragen die ingaan op de begripsvorming rond de ‘School of London’, de stilistische verscheidenheid van de geselecteerde kunstenaars, wijzen op de culturele smeltkroes en de raciale spanningen in het Londen van de jaren zeventig en het verrassende thema van de veranderingen in de opvattingen over het gezin binnen de Britse samenleving. Die laatste bijdrage wordt voorbeeldig gekoppeld aan individuele werken uit de tentoonstelling.

    Tussen de overvloedige kleurenreproducties op groot formaat bevat deze catalogus ook sfeervolle documentaire zwart-witfoto’s met stadsgezichten, street photography, groeps- en individuele portretten van de kunstenaars. Ze dompelen je onder in het Londense biotoop waarin deze Britse figuratieve schilderkunst ontstond en in een tijd waarin Kitaj strijdlustig schreef: ‘Luister niet naar al die idioten die zeggen dat afbeeldingen van mensen er niet meer toe doen of dat de schilderkunst dood is. Er is nog zoveel te doen.’

    Thijs de Raedt (red.): London Calling. Francis Bacon, Lucian Freud, David Hockney, Paula Rego. Waanders Uitgevers, Zwolle | Kunstmuseum, Den Haag 2026. 182 p., ISBN 978 94 6262 674 4, € 29,95 (naast deze Nederlandse bestaat ook een Engelse uitgave)

  • Robert Devriendt: Scènes


    AFGRONDELIJK

    Wat een verschil om het werk van Robert Devriendt in een tentoonstelling te zien of in een kunstenaarsboek. Aan de wand zuigen de minischilderijen je naar zich toe. Vervolgens kijk je heen en weer naar de delen van de reeks waarin ze zijn opgehangen (soms drie, soms vier, soms ook vijftien) en probeer je die stills van een geschilderde film met elkaar in een causaal of logisch verband te brengen.

    Afgezien van een genre – misdaad bijvoorbeeld of passioneel drama – lukt dat nooit goed. Vaak lijkt Devriendt niet de hoofdmomenten te schilderen, maar details in de marge. In ieder geval ontbreekt essentiële informatie om tot een sluitend geheel te komen, en dat is maar goed zo. Thrillers en misdaadfilms zijn er al in overvloed en het is de vraag of we ons daarbij niet meer op de spanning laten drijven dan echt te kijken (of te lezen).

    In de publicatie Scènes, die is ontstaan in samenwerking met het literaire tijdschrift DW B, wordt het reekskarakter geminimaliseerd en zijn de schilderijtjes twee keer zo groot gereproduceerd. Nu lijken de werken op je af te komen en je haast plat te slaan, zo overweldigend zijn ze. Even heb je een associatie met de grote doeken bij de botsauto’s op de kermis: felle kleuren, het sensationeel figuratieve, geënt op een al in andere media weergegeven werkelijkheid en dus een schijnwerkelijkheid met het aplomb van een echte.

    Maar die vergelijking doet onrecht aan de meesterlijke schildertechniek van Robert Devriendt, die in zijn gelaagdheid de optische en tactiele eigenschappen kan oproepen van een kronkelend gordijnkoord, een zwaar bewerkt meubelonderdeel, een opgezet roofdier met opengesperde muil, een blinkende geweerloop in de mond van een jonge vrouw met blozende huid en glanzend zwart haar.

    MEERDUIDIG

    Als je naar de afzonderlijke schilderijen kijkt, valt op hoe meerduidig ze zijn en hoe ze steeds meer loskomen van de criminele context waarin de reeksen op het eerste gezicht thuishoren. Ze gaan een zelfstandig leven leiden en nieuwe verbanden vormen met beelden van andere reeksen. Personages, houdingen, voorwerpen en situaties blijken in bepaalde reeksen terug te keren. Ze worden constanten in het oeuvre van het alter ego, de hij-figuur die, zoals Devriendt zegt, verondersteld wordt deze wereld waar te nemen en weer te geven.

    Zijn wereldbeeld zit vol ambivalenties: jagen en gejaagd worden, streling en dreiging, genot en geweld, leven en dood. Het opmerkelijke is dat de twee schijnbaar tegengestelde aspecten vaak eigen zijn aan hetzelfde beeld. Is de sportwagen op een verlaten bosweg een tijdelijk liefdesnest of het voertuig van een moordenaar? De revolver in een hand het wapen van een moord of zelfmoord? Rust het meisje met opgetrokken blouse naast een boomstam of is het een lijk?

    Voor kleuren en stoffen geldt hetzelfde. Het gitzwarte haar van een sensuele vrouw gaat onmerkbaar over in de zwarte bontjas die ze over haar naakte bovenlichaam draagt. Rood brengt bloed en somptueus satijn, bessensap en lippenstift, hart en bloem samen. Bij een dierenkop twijfel je of hij aan een opgezet of een levend exemplaar toebehoort. Een groene werkhandschoen op een boomstam lijkt bijna een klauwende hand, een prominent of achteloos achtergelaten pump suggereert de draagster. Het cilindervormig houten voorwerp, omklemd door een vrouwenhand, krijgt een seksuele lading.

    Fetisjisme is nooit ver in dit oeuvre. Een van de sterkste reeksen – juist omdat de onderdelen ervan zich bij gebrek aan wapen of lijk aan een criminele duiding onttrekken – heet Le Chasseur de Fétiches. Misschien heeft de fascinatie voor wapens, gefragmenteerde lichamen en opgezette dieren wel te maken met de overeenkomst tussen de jager, de taxidermist en de schilder, die alle drie de levensstroom onderbreken, uit zijn context rukken en fixeren?

    LITERAIR

    Gelukkig heeft geen enkele van de zeventien Nederlandstalige dichters en prozaschrijvers die de opdracht kregen zich door Devriendts werk te laten inspireren, een poging ondernomen om één bepaalde beeldenreeks tot een verhaal of gedicht om te vormen. Sommige blijven dicht bij zichzelf, nemen in hun tekst een stijltrek over (bv. Atte Jongstra: het archaïsche) of een paar motieven (Delphine Lecompte: puzzelstuk, taxidermist, Patrick Bassant: de stadsvos).

    Andere verzinnen een verhaal in de sfeer van (Koen Peeters, Yves Petry) of vertellen iets anekdotisch (Jeroen Olyslaegers, Anneke Brassinga). Enkele, zoals Erik Spinoy en Arnoud van Adrichem/Anne Vegter, vatten in poëzie de structuur en receptie van Devriendts werk. “De politiehonden zagen zo’n / prachtig plekje in een aanzienlijke / misdaadsite veranderen” (Jan Lauwereyns).

    Het dichtst bij het oeuvre komen Peter Verhelst en Dirk van Weelden. Verhelsts prozagedicht ‘ … Nooit was en zal zijn’ evoceert zintuiglijk, in afgebroken zinnen en fragmenten een wereld van gemis, vervulling en verlies: “Iets blonds en donzigs, waar de zwerm op afkomt, panisch gonzend  / Kort als een schot: de omhelzing.”

    Van Weelden betrapt in zijn essayistische monoloog ‘Wat wij met u doen’ de kijker op heterdaad. Aan het woord is ‘de dode hond’, in naam van vele andere beschreven personages en locaties: “[…] ik laat u pas los als u volmondig toegeeft dat u het misschien verwarrend of soms afstotelijk, maar uiteindelijk prettig vond om door ons te worden betoverd. Wat wij betekenen is niet dood, het leeft. Wat leeft is onbeheersbaar.”

    Robert Devriendt, Scènes. MER. Paper Kunsthalle, 2013, ISBN 978 94 9177 505 5, 158 blz., 29,50 euro. www.merpaperkunsthalle.org

  • René Daniëls: De woorden staan niet op hun juiste plaats


    Als er één schilder de schilderkunst in Nederland in de laatste decennia van de 20e eeuw nieuw elan heeft gegeven, is het wel René Daniëls (geb. 1950). Hij beschouwde zichzelf als een beeldend dichter, die het niemandsland verkende tussen literatuur, beeldende kunst en het dagelijkse leven. Zijn schilderijen zijn kleurrijk, helder, licht en haast transparant; tegelijk zijn ze zo gelaagd en raadselachtig dat ze hun geheim nooit prijsgeven.

    Ter gelegenheid van de grote solotentoonstellingen in Madrid en Eindhoven, waar een overzicht van het veelzijdige oeuvre in zijn ontstaanscontext werd geboden, verschijnt een overvloedig geïllustreerde catalogus. De titel van de expositie, ‘Een tentoonstelling is ook altijd een deel van een groter geheel’, lijkt tevens het compositieprincipe van de publicatie. Het beeldgedeelte bevat chronologisch het tentoongestelde werk (schilderijen, aquarellen, tekeningen, objecten) naast stills uit super-8-films die Daniëls maakte van optredens in de punk, wave en no wave-scene in het Eindhoven van die tijd en talrijke foto’s, onder meer van werk in het atelier en tentoonstellingen.

    Heel interessant zijn de helaas nogal klein afgebeelde schetsen en aantekeningen waarin de kunstenaar zijn positie bepaalt tegenover voorlopers in kunst en literatuur. Voor het eerst is ook recent werk opgenomen dat Daniëls na zijn hersenbloeding in 1987 en een langdurige revalidatie gemaakt heeft tijdens de laatste jaren. Motieven van het vroegere oeuvre keren er schetsmatig in terug, ook de typische combinatie van beeld en woord, zij het technisch onderhevig aan flinke beperkingen.

    Het tekstgedeelte opent met drie zeldzame interviews uit 1983 waarin blijkt hoe belangrijk Daniëls het vond zich te verzetten tegen eenduidige interpretatie, hoe het hem erom ging het denken tijdens het schilderen uit te schakelen en niet illusionistisch te werken. In een meesterlijk essay belicht Dominic van den Boogerd het principieel onaffe van Daniëls schilderijen, de ambiguïteit ervan en het spel van verschijnen en verdwijnen. “Klanken, beelden, woorden, visioenen tuimelen over elkaar heen, trekken elkaar aan, klonteren samen en vallen weer uiteen, om even zo vrolijk weer nieuwe, andere constellaties te vormen.”

    Jammer is dat nergens de pagina wordt vermeld waar je de reproductie van de besproken werken kunt vinden. Van Pam Emmerik is er een te licht uitgevallen associatieve beschouwing. Kunsthistoricus Paul Sztulman beschrijft in een gestoffeerd betoog de artistieke context van Daniëls oeuvre. Hij toont aan hoe de kunstenaar de moderne kunst een spiegel van zwarte humor voorhoudt en hoe Daniëls “in zijn schilderijen een spel speelt met de perceptie, dat de diepte en het oppervlak met elkaar verweeft”. Curator Roland Groenenboom wijst in een kort maar leerrijk opstel op de continuïteit in het werk en noemt wat recent is ontstaan ‘nog steeds raadselachtig en vol dubbele bodems’.

    Ondanks de inspanningen in het tekstgedeelte keer je bij dit boek toch steeds weer terug naar de kleurenreproducties en de boeiende beeldenreeksen, waar je de motieven uit elkaar ziet ontstaan, transformeren en metamorfoseren, in een betovering van kleur en vindingrijke compositie, letterlijk te mooi voor woorden.

    Roland Groenenboom (red.): René Daniëls: de woorden staan niet op hun juiste plaats. Rotterdam: NAi Uitgevers 2012. 184 p., € 29,50 [juli ’12]