Tag: grafiek

  • Oskar Kokoschka: Mensen en beesten

    De waardering voor de Oostenrijkse schilder en graficus Oskar Kokoschka (1886-1980) heeft hoogten en laagten gekend. Dat hij zijn leven lang heeft vastgehouden aan de figuratie, met een voorkeur voor het aloude genre van het portret, en dat zijn expressionisme vooral inhoudelijk en veel minder naar de vorm vernieuwend was, verklaart waarom hij altijd enigszins een buitenbeentje is gebleven, iemand die er in de moderne kunstgeschiedenis als opeenvolging van radicale vernieuwers niet (meer) helemaal bij hoort.

    Het is dan ook tientallen jaren geleden dat een Nederlands museum nog een tentoonstelling aan zijn werk wijdde, zoals Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam nu doet (tot 19-1-2014). De klemtoon valt op het vroege werk tot het einde van de jaren 1920. De landschappen, stadsgezichten, politieke allegorieën en staatsieportretten die Kokoschka op latere leeftijd heeft gemaakt, krijgen niet veel aandacht, en dat is maar goed ook, want  de intense kracht van zijn kunstenaarschap was in de tweede helft van zijn leven verdwenen.

    De fraai vormgegeven catalogus bevat drie algemene inleidingen. Die van curator Beatrice von Bormann over Kokoschka als rebel en humanist geeft een uitstekend overzicht van diens ontwikkeling, contacten met andere kunstenaars(groepen), overeenkomsten en verschillen. Revelerend zijn de verwijzingen in tekst en beeld naar Kokoschka’s soms onverwachte inspiratiebronnen: onder andere niet-westerse kunst, George Minne, Edouard Manet, Carlo Carrà en Ernst Ludwig Kirchner. Von Bormann slaagt erin Kokoschka’s werk nauwkeurig en genuanceerd in de kunst van zijn tijd te situeren. Zij wijst ook op de rehabilitatie van de figuratieve kunst bij de neo-expressionisten en de nieuwe wilden in de jaren 1960 en 1970, voor wie Kokoschka deels een voorbeeld was.

    De twee overige inleidingen zoomen, zij het wat braaf encyclopedisch, in op het eigenlijke thema van de tentoonstelling: de dieren in zijn schilderijen en het mensbeeld in Kokoscha’s werk zoals dat blijkt uit zijn talrijke portretten. Het eigenlijke catalogusgedeelte met reproducties van uitstekende kwaliteit volgt in acht afdelingen de chronologie van Kokoschka’s leven en zijn voorliefde voor bepaalde genres. Beknoptere inleidingen concretiseren op levendige wijze de biografische ontwikkeling, de opdrachtgevers en de ontstaansgeschiedenis van het werk, thematische en stijlkenmerken, Kokoschka’s zelfinschatting en de receptie. Een bibliografie en met archieffoto’s geïllustreerde beknopte biografie sluiten het boek af.

    Kokoschka’s tekentalent werd al vroeg ontdekt toen hij een beurs kreeg voor de Weense Kunstgewerbeschule. Zijn naakttekeningen en bewegingsstudies van circuskinderen doen in hun krachtige vereenvoudiging en nervositeit aan Egon Schiele denken. Voor de Wiener Werkstätte maakte hij wondermooie briefkaartontwerpen, later ook lithografieën bij eigen dichtwerk zoals Die träumenden Knaben (1908). Ze markeren de overgang van jugendstil naar expressionisme. Een absoluut topwerk blijft Pietà, het schokkerende affiche voor zijn toneelstuk Mörder, Hoffnung der Frauen (1909).

    Meesterlijk zijn ook de vroege portretten met hun gedurfde vervorming van het uiterlijk ten gunste van de expressie van gezicht en handen. De afgebeelde figuren lijken te zweven in een met kleur gevulde ruimte; gaandeweg versmelt de figuur zelfs met de achtergrond. Geportretteerd werden vaak intellectuelen en kunstenaars uit Wenen, met wie de schilder in contact was gebracht door zijn bewonderaar de architect Adolf Loos. Vaak viel Kokoschka’s ‘penetrerende’ schilderwijze bij hen helemaal niet in de smaak, maar Loos kocht en verzamelde de portretten zonder morren. Even vruchtbaar was de samenwerking in Berlijn met het avant-gardistische tijdschrift Der Sturm van Herwarth Walden. Kokoschka publiceerde er talrijke (portret)tekeningen in, onder meer van Karl Kraus, Paul Scheerbart en Adolf Loos: de nerveuze, levendige lijnen keren hun innerlijk binnenstebuiten.

    De stormachtige liefdesrelatie met Alma Mahler inspireerde Kokoschka tot diverse (dubbel)portretten en mythologiserende tekeningen. De breuk met haar ontstelde hem zo dat hij een levensechte pop van haar als fetisj en model liet vervaardigen. Veel minder geslaagd, zelfs wat onbeholpen, zijn de kinderportretten die preluderen op de kleurrijke losse toets van de late periode. Na zijn terugkeer uit de Eerste Wereldoorlog werkte de schilder in Dresden, waar hij een nieuwe vrijheid van schilderen ontdekte, met stevige verftoetsen en felle kleuren. Hier ontstonden onder meer schitterende zelfportretten, een portret van zijn moeder, het dubbelportret van Heise en Mardersteig waarbij de gezichten haast maskers lijken, en de grootse allegorie De macht van de muziek, met zingend groen en rood.

    Omstreeks 1926 ontstonden, hoofdzakelijk in de Londense dierentuin, de laatste hoogtepunten in het werk: de portretten van dieren, niet geabstraheerd zoals bijvoorbeeld bij Franz Marc, maar gezien als individuen – als tegenhanger van de mens, ‘als vertegenwoordigers van een natuur waarvan de mens vervreemd is geraakt, een wildernis die mensen proberen te temmen’. Kokoschka beeldt de dieren dan ook niet af in hun kooi, maar verplaatst ze opnieuw in hun wilde jungle: onvergetelijk zijn Mandril, Tijgerleeuw en Reuzenschildpadden – dat laatste schilderij, waar je niet op uitgekeken raakt, is in zijn kleur- en vormenchaos op een haar na lyrisch abstract expressionisme.

    In 1937 schilderde Kokoschka, van wie vele werken op de nazi-tentoonstelling ‘Entartete Kunst’ waren getoond, nog een trots en sarcastisch Zelfportret als ’entartete’ kunstenaar. Het politiek geëngageerde werk tijdens en na de Tweede Wereldoorlog en de portretten van staatshoofden en regeringsleiders haalden net meer zijn vroegere niveau. Zo geldt voor Kokoschka’s ongelijke, maar door zijn gedrevenheid en picturale talent ook veel hoogtepunten tellende werk, wat hijzelf ’s als zijn beweegreden aangaf: ‘De bokkensprongen van de mensenziel, de tragiek, het verhevene, maar ook het triviale en lachwekkende van het menselijk wezen: ik werd erdoor aangetrokken’.

    Beatrice von Bormann e.a.: Oskar Kokoschka: mensen en beesten. Rotterdam: Museum Boijmans Van Beuningen 2013. 215 p., € 34,95

  • Alechinsky van a tot y


    Ter gelegenheid van het grote retrospectief van de Belgische Cobrakunstenaar Pierre Alechinsky (*1927) in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel (nog tot 30 maart 2008) verscheen een ‘catalogue raisonnable’. Hij bevat een 200-tal kleurenreproducties van het tentoongestelde werk, sommige paginagroot, sommige iets te klein om de woekerende details te kunnen onderscheiden. Daarnaast een uitgebreide levenskroniek met interessante foto’s uit Alechinsky’s archief.

    Je ziet bijvoorbeeld de roemruchte Ateliers du Marais in Brussel, waar hij omstreeks 1950 samen met o.a. Olivier Strebelle, Serge Vandercam en de beeldhouwer Reinhoud leefde en werkte, en waar ook Asger Jorn op weg naar Parijs halt hield. Ook een reeks foto’s, in vogelperspectief, waarop de meester in actie wordt getoond.

    Gebukt over een groot vel papier, het penseel in de linkerhand (Alechinsky is een ‘beknotte’ linkshandige), de kom met Oost-Indische inkt voor het evenwicht in de rechterhand, terwijl hij het witte blad vult met penseelstreken. Ten slotte een lang essay, waarin conservator Michel Draguet in vier omtrekkende bewegingen het werkproces van de kunstenaar benadert.

    Hij bespreekt achtereenvolgens de verovering van het penseel, de wegen van de inkt, excursies in de marge, woordspelingen en de vier elementen. Hoewel de toon soms hoogdravend is en de stijl niet altijd even helder, bevat het veel rake observaties, informatie uit de eerste hand en blijft het dicht bij het werk. Draguet wijst onder meer op de afkeer van vaste vormen, het onstuimige schildergebaar dat door het medium olieverf wordt gehinderd en 20 jaar later zijn vrijheid herwint in de acrylverf.

    Het contact met het Oosten en de Japanse kalligrafie (1955) bevrijdt Alechinsky van de Westerse schilderkunstige traditie waarmee hij van in het begin heeft overhoop gelegen. Hij verlaat de schildersezel, legt het doek op grond en leeft zich uit in heftige all-over-composities met uitbundige kleuren, die getuigen van een intense verbeelding: elke gegeven vorm wordt gemetamorfoseerd in een vraagstelling. De mens is bij Alechinsky ‘tegelijk monster en wonder’.

    Het grote schilderij ‘Central Park’uit 1965 is een keerpunt. ‘De slang die in het hart van de metropool verscholen zit, kronkelt zich dreigend rondom een leegte die even onrustwekkend is als de leegte achter het façademasker.’ Alechnisky voegt aan dit kleurengeweld randillustraties op Japans papier toe, waarop hij in Oost-Indische inkt het centrale onderwerp laat aangroeien door omkaderende verhalen. Die randillustraties en predella’s brengen een tijdsverloop in het schilderij.

    Later verzelfstandigt zich dit verhalende werk tot reeksen inkttekeningen, die doen denken aan een moeilijker vorm van stripverhaal: ze evoceren vulkaanuitbarstingen, rampen op zee, mythische versteningen. Draguets essay wordt hier en daar gelardeerd met uitspraken van Alechinsky en fragmenten uit diens geschriften.

    Tegenover dat pluspunt staat een manco. Als je het commentaar aan het werk wil toetsen, is het een heel gezoek. Een alfabetische lijst van de titels of een paginaverwijzing in de marge had dit kunnen voorkomen. Een laatste, delicatere bedenking betreft de kwaliteit van het oeuvre. Ondanks de onrust en het enthousiasme van de kunstenaar, liggen schoonheid en verstarring in dit oeuvre naar mijn gevoel dichter bij elkaar dan de monografie suggereert. De overdadige woekering schaadt nogal ’s de impact ervan.

    Wanneer Alechinsky zich beperkt, bijvoorbeeld bij de lijnentronies op 17e-eeuwse landkaarten of de randillustraties en enkele spaarzame toevoegingen op een vervallen effect, ontstaat het sterkste werk. Heel mooi zijn de infeuilletables, niet-doorbladerbare boeken in porselein, waar de meester spaarzame tekeningen en woorden op heeft gepenseeld.

    Bevallig en verontrustend is Alechinsky, een steen des aanstoots voor de ratio, soms ook voor de smaak. Maar zeker geldt de zin die Serge Creuz in 1947 op een ateliermuur schreef en die Alechinsky in het schilderij ‘Indische spreuk’ heeft waargemaakt: ‘wie vreugde verschaft heeft met een groen naast een rood, heeft niet voor niets geleefd’.

    Alechinsky van A tot Y. Catalogue raisonnable van een retrospectief. Met een essay van Michel Draguet. Tielt : Lannoo 2007. 292 p.