Tag: Duitse kunst

  • Kandinsky en Der Blaue Reiter

    In het Gemeentemuseum Den Haag was in het voorjaar 2010 een ruim overzicht te zien van het werk van de Duitse kunstenaarskring Der Blaue Reiter. De uitgeweken Rus Wassily Kandinsky en de Duitser Franz Marc waren de leidende figuren. Ze organiseerden gezamenlijk tentoonstellingen in 1911 en 1912 en gaven in dat laatste jaar de vermaarde almanak Der Blaue Reiter uit. Ze propageerden een kunst die los komt van de figuratieve weergave en geboren wordt uit ‘innerlijke noodzaak’.

    Hun eigen productie is behoorlijk pluralistisch. Kandinsky liet zich zowel inspireren door de Russische volkskunst als door de muziek van Schönberg. Hij ontwikkelde zich door vereenvoudiging van de vorm en intensivering van de kleur geleidelijk tot een lyrisch abstract schilder. Franz Marc schilderde vergeestelijkte diervoorstellingen, Gabriele Münter en Alex von Jawlensky kleurrijke en intense landschappen en portretten.

    Het tekstgedeelte van de mooie catalogus belicht het ontstaan en de activiteiten van de hoofdrolspelers en de groep in het kader van het kunstcentrum dat München toen (meer dan Berlijn) was. De aantrekkingskracht van de stad omstreeks de eeuwwisseling wordt duidelijk toegelicht, waarbij de rol van de door Kandinsky in 1901 opgerichte tentoonstellingsvereniging Phalanx (met bijbehorende school) en de  latere Neue Künstlervereinigung München als voorlopers van Der Blaue Reiter goed uit de verf komt.

    Het invloedrijke verblijf van het koppel Kandinsky en Münter op het platteland in Mürnau en de Almanak worden in woord en beeld geïllustreerd, o.m. met oude foto’s van het schilderen in openlucht, ontmoetingen, interieurs en, vooral interessant, zaalgezichten van de eerste tentoonstelling van Der Blaue Reiter in 1911-1912. De Almanak zelf en Kandinsky’s bundel Klänge, waarin hij eigen gedichten en kleurenhoutsneden verenigde, worden uitgebreid maar helaas te klein afgebeeld.

    De aandacht in het tekstgedeelte gaat overigens meer naar biografische gegevens dan naar de artistieke ontwikkeling. Kandinsky’s werk was via Herbert Walden van Der Sturm al vroeg in Nederland te zien, waarbij opmerkelijk genoeg de vroege figuratieve landschappen en de late abstracte werken niet chronologisch maar door elkaar werden getoond. Een bijdrage beschrijft de organisatie en de ontvangst van deze tentoonstellingen.

    Franz-W. Kaiser vergelijkt in de enige echt op het werk zelf gerichte bijdrage Kandinsky en Mondriaan, herhaalt (volledig overbodig) de ontstaansgeschiedenis van en de contacten van Der Blaue Reiter en reconstrueert de theorie van de abstracte kunst in wording. Enigszins speculatief koppelt hij de standpunten uit Über das Geistige in der Kunst aan de opvattingen van de kunsthistoricus Wilhelm Worringer in Abstraktion und Einfühlung. Zijn sprong van Kandinsky naar Marcel Duchamp op grond van de ‘Verdinglichung’ is geforceerd.

    Het eigenlijke catalogusgedeelte opent met een mooi geïllustreerde uitvouwbare tijdbalk en stelt vervolgens, telkens met een twaalftal werken, de afzonderlijke kunstenaars voor. Kandinsky is met 37 (bijna) paginagrote reproducties vertegenwoordigd, die een uitstekend beeld geven van zijn ontwikkeling. Van Franz Marc worden ook enkele minder bekende bronzen beeldjes van een panter resp. paarden getoond, waarin je de soepele lijnvoering van zijn latere dierschilderijen al kunt herkennen.

    Het felle werk van Gabriele Münter, de zachte kleurvlakken van August Macke, het nog steeds onderschatte, droomachtige oeuvre van Heinrich Campendonk, de portretten als mokerslagen van Alexej von Jawlensky ronden dit overzicht af.

    Met minder werk (in de twee betekenissen) zijn er nog Marianne von Werefkin en de in vergelijking met Der Blaue Reiter toch vaak decoratieve Paul Klee. De overweldigende esthetische ervaring die onverminderd van Kandinsky’s werk en dat van zijn medestanders uitgaat had in de teksten van deze catalogus beter mogen worden geanalyseerd. Gelukkig stimuleert de voortreffelijke kwaliteit van de reproducties volop om er (opnieuw) kennis mee te maken.
                                                                                                                               
    Helmut Friedel e.a.: Kandinsky en Der Blaue Reiter. Antwerpen: Ludion 2010. 233 p.

  • Hotspot Leipzig

    Bevreemdende figuratieve kunst

    Ook al heeft het er een tijd anders uitgezien, de figuratieve kunst is terug van weggeweest. In de voormalige DDR was er tot de Val van de Muur in 1989 weinig informatie over tendensen in de Westerse kunst als conceptualisme, installatiekunst, videokunst en fotografie. De abstracte kunst was in het socialistische realisme helemaal verboden. Kunst moest de boeren- en arbeidersstaat en zijn leiders verheerlijken in een zo herkenbaar mogelijke stijl.

    In Leipzig had de Hochschule für Grafik und Buchkunst vanaf 1961 een schilderklas met kunstenaars als Werner Tübke en Bernhard Heisig. Studenten kregen er een klassieke opleiding waarbij technische onderdelen als anatomie en perspectiefleer en de analyse van de formele compositie hoog in het vaandel stonden. Na de Val van de Muur kwamen er juist vanwege de klassieke traditie studenten uit het westen van Duitsland naar de HGB. Ze werken allemaal figuratief, vaak met narratieve inslag, maar voor het overige verschilde hun werk fors in stijl, uitgangspunten en kwaliteit.

    De benaming Neue Leipziger Schule slaat niet op een gezamenlijk manifest, een inhoudelijke of stilistische samenhang die je meestal met een ‘school’ associeert. Wel hebben de kunstenaars gemeen dat ze aan de HGB zijn opgeleid en in Leipzig wonen en werken. Het succes van de NLS is toe te schrijven aan de gemeenschappelijke noemer, een sterk uitgebouwd netwerk van producentengalerieën en sinds 2005 ook een gedeelde werk- en tentoonstellingsplek: de Spinnerei Leipzig, een immense voormalige wolspinnerij met meer dan honderd kunstenaarsateliers en veertien galerieën, een druk bezochte plek ook bij de jaarlijkse ‘Rundgang’. Het boek bevat enkele zwart-witfoto’s van deze industrieel-archeologische site.

    De aanvoerder en het boegbeeld van de Neue Leipziger Schule is ongetwijfeld Neo Rauch (1960), de brug tussen de ‘oude schilders’ van de eerste generatie met hun sterk politiek engagement en de jonge kunstenaars die werden opgeleid in het verenigde Duitsland en ook van buiten de DDR kwamen. In 2000 boekte zijn werk grote successen bij de David Zwirner Gallery (New York).

    In zijn inleiding karakteriseert Harry Tupan Neo Rauchs werk als volgt: ‘onmiskenbaar is zijn spel met paradoxen, zijn verwijzingen naar de Duitse geschiedenis via historische kostuums, maar ook de vaak comic-achtige figuren: zij maken dat hij zich beweegt tussen het socialistisch realisme en popart, waarbij tijd en ruimte door elkaar heen lopen.’ Dit is overigens de enige kunstenaar wiens werk in deze catalogus van het Drents Museum ter gelegenheid van de tentoonstelling Hotspot Leipzig – Hoogtepunten uit de eigen collectie (t/m 5 april 2026) wordt toegelicht. Tevens is het een collectieboek, want het museum heeft in de laatste vijf jaar zijn verzameling (voornamelijk Nederlandse) figuratieve kunst met een groot aantal werken van de Neue Leipziger Schule kunnen uitbreiden.

    Het boek bestaat voor het grootste deel uit vaak paginagrote reproducties van de getoonde kunstwerken, de meeste ontstaan omstreeks 2020, en heel korte biografieën van de 38 vertegenwoordigde kunstenaars. Het wordt aan de toeschouwer overgelaten de stilistische eigenheid en de iconografie ervan te duiden. Dat kan als een manco worden ervaren, het activeert in elk geval je eigen respons en oordeel.

    Figuratieve kunst blijkt hier een vlag die vele ladingen dekt. Rechttoe rechtaan realistische schilderkunst is slechts een minderheid in dit ensemble. Om met het pronkstuk van de collectie te beginnen: in het fantasierijke en verleidelijke Das Dreibein (cover) van Neo Rauch is de afgebeelde werkelijkheid zo veelvormig dat het volop een uitspraak van de kunstenaar bewaarheid: ‘Voor mij is schilderen het voortzetten van dromen in een ander medium.’ Elementen van historieschilderkunst worden raadselachtig vermengd met hybride menselijke en dierlijke figuren als in een geschilderde surrealistische collage. De code is niet te kraken, maar het kleine werk blijft fascineren.

    Andere werken weerspiegelen op terughoudend illusionistische wijze de eertijdse grauwe DDR-werkelijkheid: de zeefdruk met olieverf en acrylverf op doek Feierabend van Undine Bandelin toont een koppel voor een armzalig vakantiehuisje in een nudistenpark. Haar troosteloze menselijke figuren herinneren aan de portretten van Jean Rustin. Enkele (zelf)portretten (o.a. Ulrich Hachulla, Aris Kalaizis, Falk Gernegroß) vertonen verwantschap met de Neue Sachlichkeit, terwijl het ‘genrestuk’ Das Raucherzimmer (Malte Masemann) een harde lijnvoering met popartkleuren combineert.

    De landschappen zijn nu eens desolaat hedendaags (Fahrt im Regen en Transit van Christine Ebersbach), dan weer (anti)utopisch architecturaal (Landepunkt van Dorothee Liebscher, Sprung van Martin Kobe) of ook angstaanjagend exotisch (Baboom van Tilo Baumgärtel) en vaak giftig van kleur. Mirjam Völker verbeeldt het escapistische motief boomhut als schuilplek en uitkijkpost in acryl en gemengde techniek.  Moeilijk te duiden stemmingen roepen narratieve werken als bevroren filmstills van Hans Aichinger (Raum der Gründe), Rosa Loy (Substanzen) en Matthias Ludwig (Die Lesenden) op – het eerste in koude en donkere tinten, de overige twee in uitgesproken warme kleuren, het laatste herinnerend aan Balthus.

    Meesterlijk en haast uitsluitend in zwart, grijs en wit is de Wunderkammer van Tino Geiss, die bewijst dat een aloud genre steeds opnieuw kan worden uitgevonden. Countdown, een erotisch geladen werk van Johannes Daniel, maakt in olieverf schitterend gebruik van technieken als ‘blurring’ en ‘morphing’ en blijft tegelijk fundamenteel picturaal. Dat laatste gaat helemaal op voor het ironische Selfie I van Hartwig Ebersbach, dat elk herkenbaarheid van gezichtstrekken oplost in dikke olieverfklodders.

    Enkele bijna volledig abstracte werken zoals Provinz en Stanze van David Schnell (heel grote formaten) kunnen me minder overtuigen, wat ook geldt voor het vrij banale popartrealisme bij Katrin Brause. Henriette Grahnert voegt aan Drehorgel talige en collageachtige elementen toe, wat het werk een stap verder brengt.

    In elk geval bevestigt Hotspot Leipzig wat het achterplat over de kunstenaars Neue Leipziger Schule beweert: ‘Hun werk is realistisch, maar altijd met een twist’. Ik zou het lang niet allemaal hoogtepunten noemen, maar de werken roepen stuk voor stuk de vraag op of figuratieve kunst meer toekomst heeft dan verleden.

    Hotspot Leipzig. Neue Leipziger Schule in het Drents Museum. Waanders, 2025. 112 p., ISBN 9789462626522, € 27,50