Tag: dadaïsme

  • Marcel Duchamp, of De kunst om (niet) in herhalingen te vervallen

    Als de twintigste-eeuwse kunst in het teken staat van de vernieuwing, is haar boegbeeld niet zozeer – zoals het grote publiek denkt – Picasso, die zijn leven lang is blijven schilderen, maar Marcel Duchamp (1887-1968), die er al in 1918 mee ophield. Zijn afkeer van een oogstrelende ‘retinale’ kunst ten gunste van een ‘mentale’ die inwerkt op de geest, heeft deze eeuw een sterk gevoel van creatieve vrijheid geschonken. Sinds Duchamp is de definitie van wat kunst is, een nieuwe taak voor de kunstenaar geworden.

    Voorliggend boek is de eerste grote monografie over Marcel Duchamp in ons taalgebied. Ze werd geschreven door de Amerikaanse Dada-specialist Francis Naumann, verschijnt tegelijkertijd in een Engelse en Nederlandse uitgave, is rijkelijk geïllustreerd en voorbeeldig opgemaakt. Naumann verbindt het levensverhaal van Duchamp met zijn ontwikkeling als kunstenaar en de ontstaansgeschiedenis van elk afzonderlijk werk. Hij doet dat stukken gedetailleerder dan voorheen en geeft telkens ook nauwkeurig aan langs welke weg hij tot zijn bevindingen is gekomen.

    Naumanns bijzondere invalshoek is de wens van Duchamp om als kunstenaar niet in herhaling te vallen, terwijl hij als geen ander een werk heeft opgebouwd dat bestaat uit toe-eigening en replicatie. Het beroemde, op een krukje gemonteerde ‘Fietswiel’, een assemblage uit 1913, deed bij Duchamp de vraag rijzen of het mogelijk is ‘werken te maken die geen “kunst”-werken zijn’.

    Typisch is dat het origineel verloren is gegaan, maar dat er verschillende replica’s door of in opdracht van Duchamp van werden gemaakt en gesigneerd. Dat reproduceren van eigen werk (fotografische, met de hand ingekleurde replica van zijn ‘Naakt dat een trap afkomt’, facsimile-edities van zijn notities voor het ‘Grand Verre’ in diverse dozen…), het signeren ‘pour copie conforme’ – Duchamp was notariszoon –, het zich toe-eigenen van andermans werk (onder meer da Vinci’s ‘Mona Lisa’) waren strategieën die de traditionele omschrijving van kunst verruimden.

    Bij een werk als de drie ‘Stoppages’, eigenzinnige variaties op de Parijse standaardmeter, wijst Naumann op de levenslange invloed van het individueel anarchisme van de filosoof Max Stirner. Het erotische gehalte van het ‘Grand Verre’ en verschillende kleine objecten wordt nog overtroffen door het late, in het grootste geheim ontstane ‘voyeuristische’ werk ‘Étant donnés’, waarvan vreemd genoeg slechts twee kleine zwartwitafbeeldingen zijn opgenomen.

    Er wordt ook ruime aandacht besteed aan de minder bekende activiteiten van Duchamp als schrijver, boekverzorger en illustrator en aan zijn optische experimenten. Achterin bevinden zich de tekst van een interview voor de BBC uit1968, een gedetailleerde lijst van illustraties (bijna een oeuvrecatalogus), een uitvoerige bibliografie en een lijst waarin begrippen als assemblage, editie, multiple en de verschillende soorten readymades worden verklaard.

    Duchamps werk blijkt de ultieme uitdaging en weerlegging van Walter Benjamins ideeën over de teloorgang van de aura van het kunstwerk in het tijdperk van zijn mechanische reproduceerbaarheid. Zelfs in een tijd waarin we overspoeld worden door beelden en reproducties blijft het intrigeren door zijn raadselachtigheid.

    Naumanns monografie belicht in een schitterend samenspel van tekst en illustratie de achtergrond en de genese van het oeuvre. De empirische benadering behoedt de auteur ervoor Duchamp in het keurslijf van een bepaalde theorie te stoppen. Toch zou de tekst levendiger zijn geworden als hij zijn interpretatieve schroom nu en dan iets meer had laten varen.

    Francis M. Naumann: Marcel Duchamp, of De kunst (niet) in herhalingen te vervallen. Antwerpen: Mercatorfonds 1999. 331 p.

  • Richard Huelsenbeck, En Avant Dada

    De ondertitel van dit boekje, ‘Een geschiedenis van het dadaïsme’,  zou de lezer op het verkeerde been kunnen zetten. Wie een gedegen chronologisch overzicht verwacht, met een objectiverende afweging van ieders aandeel in de revolutionaire kunststroming die in 1916 het licht zag, is aan het verkeerde adres.

    De auteur was samen met Jean Arp, Hugo Ball en Tristan Tzara een van de dadaïsten van het eerste uur, betrokken partij dus, en toen hij in 1920 deze vroege terugblik schreef, nog vol van de alles omwentelende dadaïstische geest. De titel wijst trouwens op de wil om de wereld op zijn kop te zetten die – ook na de korte, intussen geconsacreerde periode in de literatuur- en kunstgeschiedenis – actueel blijft. Dada heeft meer toekomst dan verleden.

    ‘De dadaïst exploiteert zijn psychologische vermogen om zijn eigen individualiteit los te laten zoals men een lasso loslaat of een jas laat fladderen in de wind. Morgen zal hij niet meer dezelfde zijn als vandaag, misschien zal hij overmorgen “helemaal niets” meer zijn, om daarna alles te zijn.’

    Deze geschiedenis is dus één lang manifest, waarin weliswaar historische feiten, verzinsels en anekdoten worden gememoreerd (vanwaar de naam dada? hoe verliepen de voorstellingen in het Cabaret Voltaire? e.d.), maar waarin ook wordt afgerekend met de onbetrouwbare dadaïst Tzara, die te veel ontzag voor de artistieke productie en de abstracte kunst had om de absolute ongebondenheid van het echte dadaïsme te belichamen.

    Erg interessant zijn de uitweidingen uit de eerste hand over het bruïtisme (en de invloed van de futuristen), het simultaangedicht en de nieuwe materialen in de schilderkunst. De gespannen verhouding tussen de expressionisten en de politiek radikale dadaïsten in Duitsland (Club Dada), van wie ook het beruchte Berlijnse actieprogramma wordt opgenomen, krijgt duidelijke contouren.

    De aanmerkingen van de vertaler verhelderen een aantal (half)vergeten namen en begrippen, maar breken iets te vlug af: een figuur als Johannes Baader had zeker een toelichting verdiend. Dat het dadaïsme geen kunststroming wilde zijn, maar er door het culturele systeem toe is gebombardeerd, wijst op een dubbelzinnigheid waar ook dit boekje niet geheel vrij van is: de triomftocht van de dadaïstische avonden in Duitsland en Bohemen waar Huelsenbeck mee besluit, tonen al iets van het zich settelen in het artistieke bedrijf.

    De onverbruikte explosieve kracht van dada komt nog het best naar voren in de korte trialoog tussen drie menselijke wezens ‘Door Dada uitgeschakeld’, dat eindigt met de uitroep “Dada zal voor eeuwig leven!”. In de Dada-Almanach schreef Huelsenbeck: “Je moet voldoende dadaïst zijn om tegenover je eigen dadaïsme een dadaïstische positie te kunnen innemen.” Dit boekje vormt er het levende bewijs van.

    Richard Huelsenbeck: En avant dada. Een geschiedenis van het Dadaïsme. Vertaling, nawoord en aantekeningen van Jan H. Mysjkin. Vantilt, Nijmegen, 2001.  78 p.