Tag: Britse kunst

  • British Vision

    Observatie en verbeelding in de Britse kunst 1750-1950


    Op een paar grote namen na, is de Britse kunst op ons vasteland vrij onbekend gebleven. Het prachtig gerenoveerde Museum voor Schone Kunsten in Gent heeft er dan ook goed aan gedaan in British Vision, zijn eerste grote tentoonstelling (6-10-2007 tot 13-1-2008), een overzicht te brengen van twee eeuwen Britse kunst. Dit omvangrijke en overvloedig geïllustreerde boek is er de catalogus van. Men heeft niet gekozen voor een chronologische, maar voor een thematische benadering.

    Eigen aan de Britse kunst zijn volgens de samenstellers een aanleg voor nauwkeurige observatie én een neiging naar het visionaire. Soms blijven die twee rode draden netjes gescheiden, soms zijn ze verstrengeld in hetzelfde werk. Van oudsher wordt Britse kunst geassocieerd met portret- en landschapsschilderkunst. Die twee genres werpen ook hier het grootste gewicht in de schaal, maar ze worden uitgebreid en genuanceerd. In de 18e eeuw maakte Groot-Brittannië immers een radicale omwenteling door, gekenmerkt door industrialisering en verstedelijking. Bovendien groeide het belang van de empirische wetenschap. Onder die impulsen verandert het aanschijn van de kunst.

    De landschapsschilders stappen stilaan af van het idealiserende landschap naar Italiaans en Frans model en gaan zich toeleggen op reële landschappen in hun omgeving. John Constable bv. schildert de watermolen van zijn vader aan de oever van de Stour (‘Flatford Mill’), naast schitterende fragmenten uit de natuur die hij haast wetenschappelijk observeert (‘Studie van de stam van een iep’). Kunstenaars maken anatomische schetsen van paarden, schilderen wolkenformaties, rotspartijen en beschouwen zich als evenknie van geologen en meteorologen. In de ‘travel art’ kwam de Britse specialiteit van de aquarel tot ontwikkeling. J.M.W. Turner drijft haar mogelijkheid om kleur- en lichteffecten vast te leggen of te suggereren op de spits in zijn bijna abstracte ‘colour beginnings’. Soms wordt de wetenschap zelf het onderwerp van het schilderij, zoals in het schitterende ‘De lezing van een filosoof over het planetarium, waarin een lamp de zon vervangt’ van Joseph Wright of Derby.

    De eigentijdse maatschappij in beweging is een dankbaar onderwerp voor karikaturisten als William Hogarth en James Gillray, wiens snelle tekenstijl aan Ensor doet denken. Een meerwaarde is dat er ook foto’s zijn opgenomen: het fascinerende portret uit 1857 van scheepsingenieur Brunel voor een enorme stapelloopketting, Bill Brandts ‘Jonge huisvrouw, Bethnal Green’ of zijn ‘Kolenraper op weg naar huis in Jarrow’ (beide 1937). Sterke voorbeelden van eigentijdse ‘landschappen’ zijn de oorlogsschilderijen van Paul Nash ‘De saillant van Ieper bij nacht’ (1918) en ‘De weg naar Menen’ (1919): kunst die pijn doet. Observatie en verbeelding smelten hier volledig samen.

    Überhaupt is de driedeling van de catalogus in de hoofdstukken ‘maatschappij’, ‘het landschap’ en ‘het visionaire’ enigszins kunstmatig: het visionaire komt ook in de eerdere hoofdstukken aan bod en de laatste afdeling bevat ook de andere genres. De structuur is daardoor wat rommelig en weinig didactisch. Zo wordt er herhaaldelijk verwezen naar de prerafaëlieten, terwijl een korte uitleg over deze groep pas naar het einde van het boek te vinden is.

    Storender, ook wel lachwekkend, is de soms erg anekdotisch aard van het commentaar bij de afzonderlijke werken. “De globe die op deze voorstelling [van Turner] te zien is houdt mogelijk verband met de wereldbol waarvan traditioneel wordt aangenomen dat hij door Henry Percy, de 9e graaf van Northumberland, werd gekocht van Sir Walter Ralegh op het ogenblik dat hij in de Tower of London werd opgesloten voor zijn veronderstelde aandeel in de katholieke samenzwering bekend als het ‘Gunpowder Plot’ (1605).”

    Het Britse empirisme en biografisme scheren hoge toppen, ten koste van de esthetische duiding. De inleidende stukken van curator Robert Hoozee zijn gelukkig stukken nuchterder en informatiever. Het hoofdstuk ‘Het visionaire’ bevat wél een aantal evenwichtige essays van Engelse hand over afzonderlijke werken, zoals de obsederende ‘Zondebok’ van Holman Hunt en de op het eerst gezicht maar moeilijk te appreciëren albasten sculptuur ‘Consummatum Est’ van Jacob Epstein. Deze visionaire afdeling is de meest overrompelende: het grootse van William Blake, het bizarre, spookachtige van John Henry Fuseli, het apocalyptische van John Martin (‘De Zondvloed’), de kleurensuggestie van Turner (‘Interieur van een landhuis. De salon van East Cowes Castle’), de op het symbolisme vooruitlopende raadselachtige vrouwenfiguren van Dante Gabriel Rossetti en de Perseus-cyclus van Edward Burne-Jones.

    Ook tussen de grote stromingen valt er kwaliteit te ontdekken: Lewis Carrolls pentekeningen van de almaar groeiende Alice in het huis van het witte konijn, bijbelse taferelen (‘Het verraad’) van de veelzijdige Stanley Spencer, en twee prachtige Francis Bacons, waaronder ‘Studie voor Portret III (naar het gezichtsmasker van William Blake)’. Een uitgebreide literatuurlijst, die ook monografieën van elke tentoongestelde kunstenaar omvat, en een register dat zoals het hoort niet alleen naar namen maar ook naar werken verwijst, sluiten dit soms wat bizarre maar door omvang en veelzijdigheid imposante overzichtswerk af.

    British Vision. Observatie en verbeelding in de Britse kunst 1750-1950. Onder leiding van Robert Hoozee. Brussel: Mercatorfonds 2007. 424 p.

  • London Calling

    Naoorlogse Britse figuratieve schilderkunst

    In een kunstwereld die steeds meer gedomineerd werd door abstractie heeft de naoorlogse Britse schilderkunst vastgehouden aan figuratieve schilderkunst. Daarin stond de menselijke figuur centraal: The Human Clay zoals R.B. Kitaj het in 1976 naar aanleiding van een door hem samengestelde tentoonstelling met een citaat van W.H. Auden karakteriseerde. Grootmeesters als Francis Bacon, Lucian Freud en David Hockney focusten op de menselijke lichamelijkheid. Kitaj gewaagde van een ‘School of London’, niet als samenhangende stroming of stijl maar vanwege de gedeelde fascinatie voor de menselijke vorm.

    De tentoonstelling London Calling in het Kunstmuseum Den Haag (t/m 7 juni 2026), georganiseerd in samenwerking met Tate, brengt deze en andere kunstenaars samen maar bevraagt tegelijkertijd de gebruikelijke canon, ondanks de bekende namen in de ondertitel. Er zijn immers tal van kunstenaars geweest die in de tweede helft van de 20e eeuw de figuratieve traditie trouw zijn gebleven. Onder hen de raadselachtige visuele verhalenverteller Paula Rego, vrouwelijke makers als Celia Paul en Eva Frankfurther of kunstenaars met een niet-westerse migratieachtergrond als Denzil Forrester.

    Al in de confrontatie met het onderwerp verschillen zij. Ging het bij Frank Auerbach en Lucian Freud om een directe confrontatie met een model, gingen anderen zoals Michael Andrews en Francis Bacon meestal uit van een gereproduceerd beeld. Hoe Bacon het mechanisch tot stand gekomen beeld met verf tot leven wist te wekken, illustreert zijn meesterlijke ‘Paralytic Child, Walking on All Fours (from Muybridge’ (1961), dat in de catalogus vergezeld gaat van de oorspronkelijke fotoserie ‘Animal Locomotion’ van Eadweard Muybridge.

    Vergeleken met topwerken van Bacon als ‘Portrait of Isabel Rawsthorne’ (1966) met hun gedeformeerde gezichten als hompen vlees, oogt het werk van Michael Andrews braver, zij het niet minder existentieel. Het oeuvre van Leon Kossoff lijkt dan weer een gevecht met de materie, wat nog meer geldt voor de pasteuze werken van Frank Auerbach, die de voorstelling van model of interieur haast onherkenbaar maken.

    Traditioneler zijn de portretten van mensen uit de werkende klasse door de jonggestorven Joodse vluchteling uit nazi-Duitsland Eva Frankfurther, tegelijk intimistische en maatschappelijk geladen documenten. Die brede maatschappelijke weerklank valt nog sterker op bij de collage-achtige schilderijen als beeldverhalen van R.B. Kitaj, met hun felle kleuren en literaire en historische referenties. David Hockney hanteert na een bij popart en abstractie aanleunende beginfase in het grijze Londen een herkenbare, frisse beeldtaal met heldere kleurrijke vlakken en klare lijnen. Ook hier kun je de foto’s van de poserende figuren vergelijken met wat de schilder ervan maakt.

    Minder bekend is de feministische schilderkunst van Sylvia Sleigh die mannen schildert zoals mannen eeuwenlang vrouwen hebben geschilderd: naakt, onderworpen aan de blik van de kunstenaar. Sandra Fisher doet met fauvistische toets iets soortgelijks. Goed vertegenwoordigd is het oeuvre (portretten, naakten) van Lucian Freud in zijn ontwikkeling van een fijne, geserreerde manier van schilderen (‘Boy Smoking’, 1950-1951, cover) naar de latere losse manier met grove kwasten, een onuitputtelijke verkenning van de menselijke huid.

    Voorbeelden van de blikverruiming die de tentoonstellingsmakers nastreven, biedt de verhalende kunst van Paula Rego, waarin de tastbare werkelijkheid op droomachtige wijze wordt vermengd met onderbewuste driften en gevoelens. In vergelijking met de overige kunstenaars zijn haar schilderijen mysterieus gedetailleerd. Mensen van kleur worden zichtbaar in het oeuvre van Lynette Yiadon-Boakye, in dialoog met een bredere Europese kunsthistorische context. Dat laatste geldt ook voor Denzil Forrester die in felle kleuren en bijna futuristische composities de stadse subcultuur van reggae en club-dance (en het dreigende politiegeweld) oproept. Celia Pauls intimistische portretten van mensen uit haar directe omgeving vallen op door hun indringende blik.

    Twee facetten van de catalogus verdienen extra vermelding: de degelijke, zij het elkaar soms overlappende tekstbijdragen die ingaan op de begripsvorming rond de ‘School of London’, de stilistische verscheidenheid van de geselecteerde kunstenaars, wijzen op de culturele smeltkroes en de raciale spanningen in het Londen van de jaren zeventig en het verrassende thema van de veranderingen in de opvattingen over het gezin binnen de Britse samenleving. Die laatste bijdrage wordt voorbeeldig gekoppeld aan individuele werken uit de tentoonstelling.

    Tussen de overvloedige kleurenreproducties op groot formaat bevat deze catalogus ook sfeervolle documentaire zwart-witfoto’s met stadsgezichten, street photography, groeps- en individuele portretten van de kunstenaars. Ze dompelen je onder in het Londense biotoop waarin deze Britse figuratieve schilderkunst ontstond en in een tijd waarin Kitaj strijdlustig schreef: ‘Luister niet naar al die idioten die zeggen dat afbeeldingen van mensen er niet meer toe doen of dat de schilderkunst dood is. Er is nog zoveel te doen.’

    Thijs de Raedt (red.): London Calling. Francis Bacon, Lucian Freud, David Hockney, Paula Rego. Waanders Uitgevers, Zwolle | Kunstmuseum, Den Haag 2026. 182 p., ISBN 978 94 6262 674 4, € 29,95 (naast deze Nederlandse bestaat ook een Engelse uitgave)