Categorie: wereldkunst, kunstgeschiedenis, naslagwerk

  • Kunst, als in een spiegel

    In zijn steeds weer herziene en door vele generaties bestudeerde kunstgeschiedenis Eeuwige schoonheid mijmert E.H. Gombrich aan het slot: “is het niet die voortdurende noodzaak van herziening, die het bestuderen van het verleden zo opwindend maakt?” Misschien is het niet toevallig dat het geen academisch kunsthistoricus is, maar een schilder en academieleraar, Julian Bell, die het ruim een halve eeuw na The Story of Art aandurft in zijn eentje een nieuwe geschiedenis van de beeldende kunst te schrijven.

    Hij wil oog hebben voor de niet-westerse kunst en aantonen hoe de veranderingen in de kunst samenhangen “met de archieven van maatschappelijke, technologische, politieke en godsdienstige veranderingen, hoe omgekeerd of aangepast die weerspiegelingen ook mogen blijken”. Spiegel van de wereld (Athenaeum–Polak & Van Gennep) laat je niet alleen kijken naar hoe de kunst de werkelijkheid weerspiegelde en vertekende. Het boek toont vooral hoe verschillend de vormen en functies van kunst in de loop der tijden zijn geweest. Meermaals doet het je zelfs twijfelen aan de zin van de klassieke chronologie, omdat het je confronteert met de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige.

    Anders dan veelal wordt gedacht, is ‘natuurgetrouwheid’ geen wezenlijke, maar slechts een voorbijgaande fase in de kunstgeschiedenis. Voorbereid door de fresco’s van Giotto, gaan in de 14e en 15e eeuw in Noord-Europa en Italië de vensters open en komt de zichtbare werkelijkheid zoals we die met onze perspectivische blik waarnemen, de kunst binnen. Maar tegelijk blijkt hoe relatief het begrip realisme is: schilders geven niet weer wat ze om zich heen zien, maar construeren omgevingen waarin gewenste voorstellingen, in die tijd vooral van religieuze aard, effect sorteren. Hoe belangrijk het afbeeldingssysteem is, volgt uit de noodzaak te weten wie er wordt afgebeeld en het Bijbelse verhaal achter de voorstelling te kennen.

    Zoals de kunstwetenschappers Gombrich en Goodman schreven, is realisme geen kwestie van gelijkenis tussen de afbeelding en het afgebeelde, maar van overeenkomst tussen de afbeelding en de conventies om – in een bepaalde periode – werkelijkheid ‘realistisch’ weer te geven. De onderwerpskeuze evolueert met de tijd. Op Bijbelse en mythologische taferelen volgt de verheerlijking van de macht, in republikeinse landen bloeien de genrestukken met gewone burgers en neemt de aandacht toe voor het (weliswaar symbolisch geladen) stilleven. Pas in de 16e eeuw krijgt het landschap waarde op zichzelf en pas vanaf de 19e eeuw zijn schijnbaar banale delen van een interieur (Menzel, ‘De balkonkamer’) of gewone mensen in hun werkomgeving (Courbet, ‘De korenwansters’) het waard om het thema van een schilderij te worden.

    Er staan in dat opzicht revelerende reproducties in dit boek. Als frontispice tegenover het hoofdstuk ‘De stuwkracht van de industrie’ publiceert Bell de oudste bekende foto: ‘Uitzicht uit de werkkamer in Le Gras’ (1826) van Nicéphore Niépce. Naar huidige normen een onscherpe foto, een schim- en schaduwspel waarop slechts met moeite gebouwen en een landschap te herkennen vallen – even meen je zelfs, misvormd door de eeuwenlange traditie van antropocentrische beelden, een man op een balkon te ontwaren. De camera had toen acht uur belichtingstijd nodig om met licht de plaat tin te etsen, waarvan de afdruk is gemaakt.

    Hier heb je, buiten elke ambitie van kunst om, nu eens echt een ‘venster op de werkelijkheid’. En dan blijkt hoe leeg dat ‘realisme’ is. “In de gespikkelde structuur van Niépces plaat lijk je op te vangen hoe materie en materie geesteloos tegen elkaar mompelen, zonder symbolische betekenis. De oppervlakte die voor je ligt heeft een stugge, resistente dichtheid.”

    Vreemd: wat in de vroege fotografie nog een technisch gebrek was (de korreligheid van de materie, die afbreuk doet aan de herkenbaarheid van het beeld) zal in de schilderkunst vanaf het modernisme juist het middel voor vernieuwing worden. Van de losse verftoetsen van de impressionisten, over de pasteuze verfstreken van Van Gogh tot het op zijn kop staande, eerste abstracte schilderij van Kandinsky ‘waarop geen herkenbaar voorwerp was afgebeeld’. Kunst wordt verlost van de verplichting een uiterlijke werkelijkheid weer te geven, wat niet betekent dat ze de band met de realiteit heeft verloren.

    Die beperkt zich immers ook in de wetenschap en in het aanvoelen van mensen niet tot het uitwendig zichtbare, maar kent snelheid en beweging (Balla, Duchamp), krachtvelden (Pollock, Dubuffet), spiritualiteit (Kandinsky, Mondriaan, Rothko), angst en fantasie (Munch, Miró), drift en agressie (Soutine, Bacon). Juist vanuit de 20e-eeuwse en hedendaagse kunst met hun anything goes wordt het gemakkelijker om de vroegere en niet-westerse vormen van kunst, waar Bell ruim aandacht aan besteedt, te begrijpen.

    Te beginnen met de schilderingen van neushoorns en paarden in de grot van Chauvet (Zuid-Frankrijk, ca. 28.000 v.Chr.) “Deze schilders konden zich met hun ogen en hun gevoel in de energie van dieren inleven! Zoals Picasso zei toen hij in 1940 Lascaux bezocht: ‘We hebben niets geleerd.’ Grafische kunstgrepen zoals fluctuerende lijndiktes die aangeven dat de neushoorn zich voorwaarts stoot, sluiten rechtstreeks aan bij de moderne verbeelding. Aangebrachte schaduwen modelleren de lichamen, alsof deze stilisten, net als anderen in het klassieke Griekenland of in de dertiende eeuw in Italië, reliëfs wilden imiteren. Er is zelfs een spoor van een soort perspectief te zien in de draaiende koppen en poten die elkaar gedeeltelijk overlappen.”

    Ook toen waren beelden een weliswaar nog sjamanistisch maar daarom niet minder ‘cognitief’ instrument om vat te krijgen op de wereld en te weten hoe men zich erin overeind diende te houden. Het is een voordeel van Bells benadering dat hij zijn betoog ophangt aan de meer dan 350 illustraties (grotendeels in kleur), die hij in een bijschrift dikwijls gevat commentarieert. Hij is er zich doorlopend van bewust dat we iedere definitie van kunst en beschaving uiteindelijk ‘met onze eigen waarden beladen’. Het verband dat hij legt tussen de kunstproductie en haar maatschappelijk-economische ontstaansachtergrond, behoedt hem voor overijlde recuperaties of bevooroordeelde afwijzingen.

    Zijn inlevingsvermogen laat hem wel een keer in de steek. Op het beroemde Egyptische reliëf van Bek, waarop Achnaton, zijn vrouw Nefertiti en drie van hun dochters zijn verzameld onder de weldadige stralen van de zonnegod Aton,  reageert hij met onbegrip: “Ik krijg er de kriebels van. Het is alsof je de Britse koninklijke familie ziet verschijnen in een televisiespel voor bekende personen […] Ik neem aan dat een nog niet gedoofd vonkje koningsgezindheid in mij, dat wil dat koningen echte koningen zijn, van streek raakt door de erbarmelijke, beschamende, suikerzoete sentimentaliteit van het paneel.”

    Voor hetzelfde geld zou je echter de hiëratische, symmetrische compositie van dit sierlijke diepe reliëf kunnen bewonderen, de warme honinggele kleur van de steen en het samengaan van conventionele strengheid met levendige details als het kindje dat aan moeders oor trekt. Bij de sterk idealiserende beschilderde kalkstenen buste van Nefertiti commentarieert hij: “Ik zeg, om eerlijk te zijn, niet alleen tegen mijzelf: ‘Hét is beeldschoon’, ik zeg ook tegen mijzelf ‘Zíj is beeldschoon’.” Zo diepgeworteld is de idee van kunst als verheffende illusie.

    Terloops schrijft Bell ergens “Ik zou willen pleiten voor desoriëntatie”. Dat doet hij zeker door vaak binnen eenzelfde hoofdstuk over te schakelen van westerse naar Afrikaanse, Aziatische, Latijns-Amerikaanse of Oceanische kunst. In de tekst lijken die overgangen soms wat geforceerd, maar als je de kunstwerken bekijkt, springen vaak verbluffende overeenkomsten in het oog. De ‘Ungyo’ van Jokei bijvoorbeeld, een houten beeld dat een boeddhistische tempel in Nara, de oude keizerlijke hoofdstad van Japan, moest beschermen (ca. 1203), heeft in zijn gespannen houding en hyperexpressieve mimiek heel wat gemeen met de hevige emoties die de figuren bij ‘De bewening van Christus’ (ca. 1463) van Nicollò dell’Arca, een voorbeeld van de internationale Bourgondische stijl in de beeldhouwkunst die verder ging dan de ingetogenheid van de Italiaanse middeleeuwse kunst, die gedeeltelijk nog door de Byzantijnse onbewogenheid was beïnvloed.

    Revelerend is ook de vergelijking tussen de christelijke hooggotiek van de Sainte-Chapelle en de facettenkoepel van het grafmonument van Zumurrud Khatun in Bagdad (ca. 1220). Of het contrast tussen de al vroeg zelfstandige landschappen in de Chinese en Japanse kunst, waarin de mens een te verwaarlozen entiteit vormt, en de late opkomst van het landschap in de Europese kunst, eerst als achtergrond op religieuze taferelen en pas in de 16e eeuw een eigen genre.

    Haast nog meer dan door het van begin tot eind lezen van de compacte tekst, zorgt het heen en weer bladeren en kijken naar de illustraties voor inzichtgevende confrontaties: de schetsmatige opbouw van een landschap bij Shitao (‘Man in een huis op de berg’, ca. 1700) doet denken aan het functionele gebruik van het bladwit bij de vroeg-expressionistische Egon Schiele. De Iraanse schildering in olieverf van een ‘Acrobate’ (Ahmed, 1815) met een lappendeken van kleuren dat eerder decoratief is dan figuratief aan soortgelijke mozaïekachtige figuurcomposities van Gustav Klimt.

    Een recent, met zijn schaarse verfstreken meditatief schilderij van de Koreaan Lee U-fan (‘Met winden’, 1990) herinnert aan het in Europese ogen al heel moderne ‘Zes kaki’s’ van de Chinees Mu Qi (ca. 1250), minimale penseelstreken in de geest van het Zenboeddhisme. Soms slaat de door Bell gemaakte vergelijking echter als een tang op een varken, bv. wanneer hij het Keulse Gero-crucifix (ca. 975) met zijn schokkende uitdrukkingskracht via de schakel van contemporaine erotische tempelfriezen in India aan een bronzen Shiva-beeld linkt.

    Opmerkelijk bij het lezen van een kunstgeschiedenis: de neiging om een kunstwerk los van zijn tijd te bekijken – en het appèl dat ervan uit gaat volop op je in te laten werken – haalt het van de historische en maatschappelijke, soms ook biografische, verankering waar Bell nochtans zijn uiterste best voor doet. Uiteraard wordt hij hier gehinderd door de noodzakelijke beknoptheid bij een werk dat vele millennia en talrijke continenten en landen wil overzien.

    Vooral in de latere eeuwen lukt het hem aardig de invloed van het historische kader op de kunst bloot te leggen, o.m. de stabilisering van het hof van Versailles in de 17e eeuw en het vogelvluchtperspectief bij de schilder Pierre Patel. “De waardige strengheid van de Franse schilder- en beeldhouwkunst in de zeventiende eeuw kwam overeen met een nadruk op ratio en orde in de Franse literatuur van diezelfde tijd.”

    Soms wordt die verwevenheid tussen kunst en tijdperk als in een brandpunt aangetoond aan de hand van één kunstwerk, waarin alle lijnen samenkomen: het ruiterstandbeeld ‘Peter de Grote’ (1766-1778) in Sint-Petersburg als icoon van de Verlichting. Niet altijd, en heel terecht, gaat Bell uit van een 1:1-verhouding tussen kunst en maatschappij. De reactie op de industrialisatie in Groot-Brittannië in de 19e eeuw is er bij de pre-rafaëlitische schilders – hoewel ze voor hun verf de nieuwe koolteerpigmenten gebruiken die juist op de markt kwamen – een van regressie en moralisme. Voor hen moest de kunst de morele ontreddering die onvermijdelijk met de modernisering gepaard ging een halt toeroepen (‘Het geweten ontwaakt’ van William Howald Hunt, 1853).

    Wat de strijd tussen abstractie en figuratie in de kunst na de Tweede Wereldoorlog betreft, verwijst de auteur naar de toenmalige ideologische spanningen. De Verenigde Staten propageerden het idee dat abstractie voor ‘vrijheid’ stond, “terwijl Rusland, Amerika’s rivaal in de Koude Oorlog, de handen van zijn kunstenaars bond met een op het verleden gerichte eis tot figuratie.”

    Afgezien van de heldere chronologie (die achteraan wordt ondersteund door een uitgebreide tijdbalk), de originele en inzicht bevorderende keuze en nevenschikking van reproducties en de persoonlijke maar in een stevige bronnenlijst gefundeerde uitstalling van feitenmateriaal en interpretaties, prikkelt Spiegel van de wereld de lezer door frisse karakteriseringen en formuleringen. Over Titiaan bv. zegt hij: “Hij legde zich toe op zijn onderwerp als een goed minnaar, die weet wanneer hij fel moet zijn en wanneer gevoelig.”  Of hij wijst bij een van de super-objectieve portretten van de hedendaagse fotograaf Thomas Ruff (1990) op de parallel met het Duitsland van na de terreurbestrijding, waarbij het individu belandde “in een niemandsland met bewakingscamera’s dat zich nu uitstrekt over de hele westerse wereld”. 

    Bij iets zo vertrouwds als een kunstgeschiedenis is het een prestatie dat Bell je het gevoel bezorgt waaraan Picasso uiting gaf toen hij met ‘primitief’ Afrikaans beeldhouwwerk werd geconfronteerd: “ik geloof dat alles onbekend is!”

    Julian Bell, Spiegel van de wereld. De geschiedenis van de beeldende kunst. Athenaeum–Polak & Van Gennep, Amsterdam 2008. 496 p., € 49,95

  • Artists’ Handbook


    In 2005 kocht de Antwerpse verzamelaar en kunsthandelaar Ronny Van de Velde op een veiling in Parijs het gastenboek van de New Yorkse kunstboekhandelaar en uitgever George Wittenborn. Tussen 1944 en 1974 had Wittenborn beroemde en minder beroemde kunstenaars die bij hem langskwamen uitgenodigd er een spoor in achter te laten. De meesten trokken de omtreklijnen van hun hand en voorzagen ze van een datum en handtekening, sommigen pakten het iets origineler aan.

    Ze droegen een echte tekening van hun hand bij, een afdruk in inkt of verf, lieten hun hand door een paar kleine wijzigingen of toevoegingen spreken, knipten ze uit in papier enz. Zo kwamen 190 kunstenaarshanden bijeen, waaronder die van Archipenko, Hans Arp, Louise Bourgeois, Marc Chagall, Max Ernst, Sam Francis, Jasper Johns, Dieter Roth, Jean Tinguely en Andy Warhol.

    Van de Velde liet hedendaagse (Belgische en andere) kunstenaars het boek aanvullen: o.a. Michaël Borremans, Raoul De Keyser, Per Kirkeby, Paul McCarthy, Anne-Mie Van Kerckhoven, Dirk Zoete. Wat opvalt, is dat ze dikwijls de monotonie van hun voorgangers doorbreken. Voor hen volstaat de indexicale waarde van een hand-tekening of handafdruk – kijk: de hand van de meester, zonder omwegen – niet meer. Ze maken, veelal in de stijl van hun werk, een artistiekere tekening waarin (hun) hand(en) een rol spelen.

    Wim Delvoye bezorgt een röntgenfoto, Peter De Cupere tekent een hand met een aardbei als uiteinde van de wijsvinger die ook echt naar aardbei ruikt. Bijschrift met knipoog: “Touch & smell my finger. My girlfriend knows why…”. Überhaupt is hier en daar de elfde vinger niet ver weg. Hans Op de Beeck zet in een videostill enkele heren in scène die elkaar de hand geven, Marie Jo Lafontaine toont op twee bladzijden een vervreemdend blauw oplichtende knuist met onderarm. Mooi is ook de tekening van de Spaans-Brusselse kunstenaar Angel Santiago Vergara, die zijn uitgespaarde hand bezigheden en plekken van een dag in de stad laat aanraken.

    Al die kunstenaarshanden werden voor deze uitgave verzameld in een letterlijk gewichtig boek. Het oogt als een uit de kluiten gewassen adresboek, met alfabetische inkeping en indeling op de naam van de kunstenaar. Binnen elke letter zijn de tekeningen chronologisch gerangschikt, rechts bovenaan staat in kleine letters de eigenaar van de hand gedrukt – handlezen en raden zijn dus mogelijk.

    Na elke letter volgen op geel papier beknopte tekstjes over de kunstenaars, die (en dat verdient een pluim) in een zestal regels zeer to the point het werk karakteriseren. Een afdeling met een extra (rode) letter H bevat een reeks kunstwerken – gravures, schilderijen, tekeningen, foto’s, objecten – uit de 19e en 20e eeuw waarin handen een rol spelen. Uit deze afdeling blijkt hoeveel belangrijker dit verbeeldingrijke werk is dan de hand van de meester tout court.

    Onder de F staat tevens de Engelse vertaling van een mooi essay uit 1934 van de Franse kunsthistoricus en -filosoof Henri Focillon. Hij zingt al filosoferend de lof van de handen en toont de betekenis ervan in de beschavings- en kunstgeschiedenis. Onder de letter W situeert Jan Ceuleers de originele man George Wittenborn (1905-1974) in zijn New Yorkse kunstboekhandel, uitgeverij en vriendenkring.

    Achterin vind je een alfabetisch register van de meer dan 300 kunstenaars die in dit boek vertegenwoordigd zijn. Het geheel is een wat uit de hand gelopen vondst, een curiosum waarin branie en ironie elkaar in evenwicht proberen te houden. Doorgewinterde kunstliefhebbers zal het wel intrigeren.

    Artists’ Handbook. George Wittenborn’s Guestbook, with 21st Century Additions Initiated by Ronny Van de Velde. Gent: Ludion 2007. [500] p., € 75

  • Kunst, uitgelicht

    Een ‘alomvattend’ naslagwerk

    ‘Kunst, uitgelicht’ (Lannoo, 2025)

    Aliki Braine e.a.: Kunst, uitgelicht

    Aan overzichtswerken over kunstgeschiedenis is er geen gebrek. De jongste twintig jaar deden daarin ook de lang veronachtzaamde niet-westerse kunst, hedendaagse kunst en vrouwelijke kunstenaars hun intrede. Een voortreffelijk voorbeeld is Julian Bells Spiegel van de wereld. De geschiedenis van de beeldende kunst (Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2008). Vaak bleef men evenwel nog in het narratieve en essayistische stramien steken. De kenmerken van stromingen en de levensloop van de kunstenaars werden overbelicht en het individuele kunstwerk kreeg weinig aandacht.

    Kunst, uitgelicht gooit het over een andere boeg. Het is een vernuftig geconstrueerd kijk- en leesboek op groot formaat dat ‘de 500 belangrijkste kunstwerken ter wereld’ in detail bespreekt. De ordening is chronologisch en het boek is onderverdeeld in zes veelomvattende hoofdstukken: het begin (28.000 v.C. – 1400 n.C.), illusie en observatie (1400 – 1600), drama en detail (1600 – 1800), kleur en innovatie (1800 – 1900), op weg naar abstractie (1900 – 1945), hedendaagse kunst (1945 – heden).

    Bijna elk kunstwerk wordt op een afzonderlijke pagina, soms op twee, afgebeeld, waarbij de uitzonderlijke kwaliteit van de reproducties in het oog springt. Telkens worden naast de naam van de maker (indien bekend), de titel, het ontstaansjaar, het medium, de afmetingen vermeld en de plek waar het te vinden is. Een beknopte inleidende tekst belicht de culturele en artistieke ontstaansachtergrond en het eigene van het werk. Als voorbeeld de intro op een detail van de zuil van Trajanus (2e eeuw n.C.):

    ‘Deze zuil is een monument voor de veldtochten van de Romeinse keizer Trajanus tegen de Daciërs (in het huidige Roemenië). Het gebeeldhouwde verhaal kronkelt omhoog in een spiraal van zo’n 200 m lang, met als climax de zelfmoord van de Dacische koning Decebalus. In de visuele compositie zitten voorlopers van moderne filmtechnieken verwerkt, zoals montage, plotselinge overgangen en meerdere gezichtspunten.’

    Vervolgens worden afgebeelde personen en motieven, hun symbolische betekenis en allerhande stilistische en technische bijzonderheden toegelicht – in heldere annotaties die met een haarlijntje verwijzen naar een gedeelte van het werk. In de marge verduidelijken schematische tekeningen de compositie van een beeld, schilderij of tekening, het perspectief en het kleurenpalet. Kleine afbeeldingen lichten details uit die over het hoofd kunnen worden gezien, wijzen op invloed van (respectievelijk op) andere werken en verduidelijken de gebruikte steensoort of de pigmenten. Veelal vergezelt een treffend citaat uit de literatuur, de kunstkritiek of een geschrift van de kunstenaar het gekozen werk. Zo staan bij ‘Compositie VII’ (1913) van Wassily Kandinsky diens woorden: ‘Kleur is het klavier, de ogen zijn de hamers, de ziel is de piano met vele snaren. De kunstenaar is de hand die speelt, die de ene toets of de andere indrukt en vibraties in de ziel veroorzaakt.’

    De wisselwerking tussen beeld en commentaar is optimaal. Je kijkt veel beter en langer dan je anders zou doen. Uiteraard is dit geen boek om in één ruk uit te lezen maar veeleer een aantrekkelijk en uitnodigend naslagwerk waar je naar terugkeert, ook als je niet iets bepaalds zoekt. Heel boeiend zijn de spreadsheets gewijd aan thema’s en genres zoals het naakt, dieren, mythen, religie, historie, stillevens, abstractie, oorlog, portretten en zelfportretten. De nevenschikking van wat kleiner afgebeelde werken uit verschillende periodes en culturen is hier een echte eye-opener.

    De enorme kunstproductie uit Afrika, Amerika, Azië, Europa en Oceanië weergeven met 500 ‘belangrijkste werken’ heeft de samenstellers gedwongen tot een strenge selectie. De westerse kunst krijgt weliswaar nog een klemtoon (vooral in de middeleeuwen, renaissance en negentiende eeuw), maar het boek bevat ook talrijke, bij ons nog te weinig bekende Afrikaanse en oosterse meesterwerken. Prachtig zijn bijvoorbeeld het kalkstenen reliëf uit Persepolis (ca. 500 v.C.), de vyala (een leeuwachtig wezen) uit Noordoost-India (5e eeuw n.C.), de beelden van diverse zittende boeddha’s en één lopende, een precolumbiaans regengodpotje (ca. 1100-1400 n.C.), de tekening in inkt op papier ‘Overzicht van het Diamantgebergte’ van Jeong Seon (1734). Jammer vind ik daarentegen dat er geen Cycladenidool is opgenomen.

    Eigen aan Kunst, uitgelicht is ook dat lang veronachtzaamde vrouwelijke kunstenaars uit het vergeetboek worden gehaald: Rachel Ruys met een verbluffend ‘Stilleven met fruit en insecten’ (1711), Catharina van Hemessens ‘Zelfportret achter de ezel’ (1548), het ‘Ontwakend meisje’ (ca. 1877-1878) van Eva Gonzalès, de enige formele leerling van Édouard Manet. In de afdeling hedendaagse kunst vind je behalve werk van bekenden als Paula Rego en Louise Bourgeois ook een fascinerende kleurenlithografie van de zwarte activistische Faith Ringgold ‘The Sunflower Quilting Bee at Arles’ (1996).

    Bij de moderne en hedendaagse kunst heeft het team van experten dat dit boek schreef wel enkele steken laten vallen. Onverklaarbaar is de afwezigheid van Marcel Duchamp, wiens ‘Het grote glas’ toch een van de invloedrijkste werken van de 20e eeuw is. Ook belangrijke stromingen als het minimalisme en de conceptuele kunst ontbreken. En kun je de beeldende kunst van de twintigste eeuw representatief weergeven zonder werk van Max Ernst, Hans Arp, Joseph Beuys of Richard Serra? Positief is dan weer de aandacht voor streetart, postkolonialisme en feminisme in de kunst.

    Het boek mag eruitzien als het zoveelste salontafelboek, de schat aan informatie die het bevat, het mondiale perspectief, de schitterende afbeeldingen en de leerrijke annotaties maken het tot veel meer. Het dompelt je onder in de kunst(geschiedenis), schilder- en beeldhouwtechniek, iconografie en iconologie. En vooral bevestigt het, door zijn aantrekkelijke vormgeving en boven op zijn didactische kwaliteit, de uitspraak van Mark Rothko: ‘Een schilderij gaat niet over een ervaring. Het is een ervaring.’

    Aliki Braine e.a.: Kunst, uitgelicht, Lannoo, Tielt, 2025, 479 p., ISBN 9789020927436. Vertaling van Art, annotated, vertaald door Sander Buesink en Joost Zwart