Categorie: wereldkunst, kunstgeschiedenis, naslagwerk

  • Artists’ Handbook


    In 2005 kocht de Antwerpse verzamelaar en kunsthandelaar Ronny Van de Velde op een veiling in Parijs het gastenboek van de New Yorkse kunstboekhandelaar en uitgever George Wittenborn. Tussen 1944 en 1974 had Wittenborn beroemde en minder beroemde kunstenaars die bij hem langskwamen uitgenodigd er een spoor in achter te laten. De meesten trokken de omtreklijnen van hun hand en voorzagen ze van een datum en handtekening, sommigen pakten het iets origineler aan.

    Ze droegen een echte tekening van hun hand bij, een afdruk in inkt of verf, lieten hun hand door een paar kleine wijzigingen of toevoegingen spreken, knipten ze uit in papier enz. Zo kwamen 190 kunstenaarshanden bijeen, waaronder die van Archipenko, Hans Arp, Louise Bourgeois, Marc Chagall, Max Ernst, Sam Francis, Jasper Johns, Dieter Roth, Jean Tinguely en Andy Warhol.

    Van de Velde liet hedendaagse (Belgische en andere) kunstenaars het boek aanvullen: o.a. Michaël Borremans, Raoul De Keyser, Per Kirkeby, Paul McCarthy, Anne-Mie Van Kerckhoven, Dirk Zoete. Wat opvalt, is dat ze dikwijls de monotonie van hun voorgangers doorbreken. Voor hen volstaat de indexicale waarde van een hand-tekening of handafdruk – kijk: de hand van de meester, zonder omwegen – niet meer. Ze maken, veelal in de stijl van hun werk, een artistiekere tekening waarin (hun) hand(en) een rol spelen.

    Wim Delvoye bezorgt een röntgenfoto, Peter De Cupere tekent een hand met een aardbei als uiteinde van de wijsvinger die ook echt naar aardbei ruikt. Bijschrift met knipoog: “Touch & smell my finger. My girlfriend knows why…”. Überhaupt is hier en daar de elfde vinger niet ver weg. Hans Op de Beeck zet in een videostill enkele heren in scène die elkaar de hand geven, Marie Jo Lafontaine toont op twee bladzijden een vervreemdend blauw oplichtende knuist met onderarm. Mooi is ook de tekening van de Spaans-Brusselse kunstenaar Angel Santiago Vergara, die zijn uitgespaarde hand bezigheden en plekken van een dag in de stad laat aanraken.

    Al die kunstenaarshanden werden voor deze uitgave verzameld in een letterlijk gewichtig boek. Het oogt als een uit de kluiten gewassen adresboek, met alfabetische inkeping en indeling op de naam van de kunstenaar. Binnen elke letter zijn de tekeningen chronologisch gerangschikt, rechts bovenaan staat in kleine letters de eigenaar van de hand gedrukt – handlezen en raden zijn dus mogelijk.

    Na elke letter volgen op geel papier beknopte tekstjes over de kunstenaars, die (en dat verdient een pluim) in een zestal regels zeer to the point het werk karakteriseren. Een afdeling met een extra (rode) letter H bevat een reeks kunstwerken – gravures, schilderijen, tekeningen, foto’s, objecten – uit de 19e en 20e eeuw waarin handen een rol spelen. Uit deze afdeling blijkt hoeveel belangrijker dit verbeeldingrijke werk is dan de hand van de meester tout court.

    Onder de F staat tevens de Engelse vertaling van een mooi essay uit 1934 van de Franse kunsthistoricus en -filosoof Henri Focillon. Hij zingt al filosoferend de lof van de handen en toont de betekenis ervan in de beschavings- en kunstgeschiedenis. Onder de letter W situeert Jan Ceuleers de originele man George Wittenborn (1905-1974) in zijn New Yorkse kunstboekhandel, uitgeverij en vriendenkring.

    Achterin vind je een alfabetisch register van de meer dan 300 kunstenaars die in dit boek vertegenwoordigd zijn. Het geheel is een wat uit de hand gelopen vondst, een curiosum waarin branie en ironie elkaar in evenwicht proberen te houden. Doorgewinterde kunstliefhebbers zal het wel intrigeren.

    Artists’ Handbook. George Wittenborn’s Guestbook, with 21st Century Additions Initiated by Ronny Van de Velde. Gent: Ludion 2007. [500] p., € 75

  • Kunst, uitgelicht

    Een ‘alomvattend’ naslagwerk

    ‘Kunst, uitgelicht’ (Lannoo, 2025)

    Aliki Braine e.a.: Kunst, uitgelicht

    Aan overzichtswerken over kunstgeschiedenis is er geen gebrek. De jongste twintig jaar deden daarin ook de lang veronachtzaamde niet-westerse kunst, hedendaagse kunst en vrouwelijke kunstenaars hun intrede. Een voortreffelijk voorbeeld is Julian Bells Spiegel van de wereld. De geschiedenis van de beeldende kunst (Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2008). Vaak bleef men evenwel nog in het narratieve en essayistische stramien steken. De kenmerken van stromingen en de levensloop van de kunstenaars werden overbelicht en het individuele kunstwerk kreeg weinig aandacht.

    Kunst, uitgelicht gooit het over een andere boeg. Het is een vernuftig geconstrueerd kijk- en leesboek op groot formaat dat ‘de 500 belangrijkste kunstwerken ter wereld’ in detail bespreekt. De ordening is chronologisch en het boek is onderverdeeld in zes veelomvattende hoofdstukken: het begin (28.000 v.C. – 1400 n.C.), illusie en observatie (1400 – 1600), drama en detail (1600 – 1800), kleur en innovatie (1800 – 1900), op weg naar abstractie (1900 – 1945), hedendaagse kunst (1945 – heden).

    Bijna elk kunstwerk wordt op een afzonderlijke pagina, soms op twee, afgebeeld, waarbij de uitzonderlijke kwaliteit van de reproducties in het oog springt. Telkens worden naast de naam van de maker (indien bekend), de titel, het ontstaansjaar, het medium, de afmetingen vermeld en de plek waar het te vinden is. Een beknopte inleidende tekst belicht de culturele en artistieke ontstaansachtergrond en het eigene van het werk. Als voorbeeld de intro op een detail van de zuil van Trajanus (2e eeuw n.C.):

    ‘Deze zuil is een monument voor de veldtochten van de Romeinse keizer Trajanus tegen de Daciërs (in het huidige Roemenië). Het gebeeldhouwde verhaal kronkelt omhoog in een spiraal van zo’n 200 m lang, met als climax de zelfmoord van de Dacische koning Decebalus. In de visuele compositie zitten voorlopers van moderne filmtechnieken verwerkt, zoals montage, plotselinge overgangen en meerdere gezichtspunten.’

    Vervolgens worden afgebeelde personen en motieven, hun symbolische betekenis en allerhande stilistische en technische bijzonderheden toegelicht – in heldere annotaties die met een haarlijntje verwijzen naar een gedeelte van het werk. In de marge verduidelijken schematische tekeningen de compositie van een beeld, schilderij of tekening, het perspectief en het kleurenpalet. Kleine afbeeldingen lichten details uit die over het hoofd kunnen worden gezien, wijzen op invloed van (respectievelijk op) andere werken en verduidelijken de gebruikte steensoort of de pigmenten. Veelal vergezelt een treffend citaat uit de literatuur, de kunstkritiek of een geschrift van de kunstenaar het gekozen werk. Zo staan bij ‘Compositie VII’ (1913) van Wassily Kandinsky diens woorden: ‘Kleur is het klavier, de ogen zijn de hamers, de ziel is de piano met vele snaren. De kunstenaar is de hand die speelt, die de ene toets of de andere indrukt en vibraties in de ziel veroorzaakt.’

    De wisselwerking tussen beeld en commentaar is optimaal. Je kijkt veel beter en langer dan je anders zou doen. Uiteraard is dit geen boek om in één ruk uit te lezen maar veeleer een aantrekkelijk en uitnodigend naslagwerk waar je naar terugkeert, ook als je niet iets bepaalds zoekt. Heel boeiend zijn de spreadsheets gewijd aan thema’s en genres zoals het naakt, dieren, mythen, religie, historie, stillevens, abstractie, oorlog, portretten en zelfportretten. De nevenschikking van wat kleiner afgebeelde werken uit verschillende periodes en culturen is hier een echte eye-opener.

    De enorme kunstproductie uit Afrika, Amerika, Azië, Europa en Oceanië weergeven met 500 ‘belangrijkste werken’ heeft de samenstellers gedwongen tot een strenge selectie. De westerse kunst krijgt weliswaar nog een klemtoon (vooral in de middeleeuwen, renaissance en negentiende eeuw), maar het boek bevat ook talrijke, bij ons nog te weinig bekende Afrikaanse en oosterse meesterwerken. Prachtig zijn bijvoorbeeld het kalkstenen reliëf uit Persepolis (ca. 500 v.C.), de vyala (een leeuwachtig wezen) uit Noordoost-India (5e eeuw n.C.), de beelden van diverse zittende boeddha’s en één lopende, een precolumbiaans regengodpotje (ca. 1100-1400 n.C.), de tekening in inkt op papier ‘Overzicht van het Diamantgebergte’ van Jeong Seon (1734). Jammer vind ik daarentegen dat er geen Cycladenidool is opgenomen.

    Eigen aan Kunst, uitgelicht is ook dat lang veronachtzaamde vrouwelijke kunstenaars uit het vergeetboek worden gehaald: Rachel Ruys met een verbluffend ‘Stilleven met fruit en insecten’ (1711), Catharina van Hemessens ‘Zelfportret achter de ezel’ (1548), het ‘Ontwakend meisje’ (ca. 1877-1878) van Eva Gonzalès, de enige formele leerling van Édouard Manet. In de afdeling hedendaagse kunst vind je behalve werk van bekenden als Paula Rego en Louise Bourgeois ook een fascinerende kleurenlithografie van de zwarte activistische Faith Ringgold ‘The Sunflower Quilting Bee at Arles’ (1996).

    Bij de moderne en hedendaagse kunst heeft het team van experten dat dit boek schreef wel enkele steken laten vallen. Onverklaarbaar is de afwezigheid van Marcel Duchamp, wiens ‘Het grote glas’ toch een van de invloedrijkste werken van de 20e eeuw is. Ook belangrijke stromingen als het minimalisme en de conceptuele kunst ontbreken. En kun je de beeldende kunst van de twintigste eeuw representatief weergeven zonder werk van Max Ernst, Hans Arp, Joseph Beuys of Richard Serra? Positief is dan weer de aandacht voor streetart, postkolonialisme en feminisme in de kunst.

    Het boek mag eruitzien als het zoveelste salontafelboek, de schat aan informatie die het bevat, het mondiale perspectief, de schitterende afbeeldingen en de leerrijke annotaties maken het tot veel meer. Het dompelt je onder in de kunst(geschiedenis), schilder- en beeldhouwtechniek, iconografie en iconologie. En vooral bevestigt het, door zijn aantrekkelijke vormgeving en boven op zijn didactische kwaliteit, de uitspraak van Mark Rothko: ‘Een schilderij gaat niet over een ervaring. Het is een ervaring.’

    Aliki Braine e.a.: Kunst, uitgelicht, Lannoo, Tielt, 2025, 479 p., ISBN 9789020927436. Vertaling van Art, annotated, vertaald door Sander Buesink en Joost Zwart