Categorie: Nederlandse kunst

  • Marinus Boezem oeuvrecatalogus

    Het werk van de Nederlandse kunstenaar Marinus Boezem (*1934) heeft altijd iets ongrijpbaars gehad. Hij speelde vanaf de jaren ’60 een belangrijke rol in de ontwikkeling van Concept Art, Arte Povera en Land Art, maar zijn fascinatie door vluchtige elementen als licht, lucht, weer en geluid en de verscheidenheid aan materiaal waarmee hij heeft gewerkt, maken dat hij niet onder één noemer is te brengen. De in alle opzichten stevige oeuvrecatalogus (tweetalig, Nederlands en Engels) is dan ook enige ironie niet vreemd.

    Boezems werk doorbreekt de grenzen van de kunst, slaat bruggen naar het alledaagse leven, de ruimte van het universum en het immateriële. Een inleidend essay situeert zijn vernieuwingsdrang in de internationale maatschappelijke en artistieke context sinds de jaren ’50. Edna van Duyn beschrijft helder hoe Boezem vaak dualiteiten als vliegen – vallen, verschijnen – verdwijnen, aanwezigheid – afwezigheid of ook natuur – cultuur in één werk tegen elkaar uitspeelt.

    De ‘catalogue raisonné’ van het werk vanaf 1960 brengt bijna 350 werken samen, waarvan telkens naast zakelijke gegevens als locatie, materiaalgebruik, afmetingen ook een beknopte beschrijving en situering in het oeuvre worden gegeven. Omdat het niet zelden gaat om eenmalige performances of onuitgevoerde schetsen, is deze documentatie extra belangwekkend. Het speelse van Fluxus is nog zichtbaar in de gesigneerde ventilator – de ontdekking van lucht als beeldend materiaal – en de diverse luchtplastieken uit de jaren ’60. Installaties met ramen, ventilatoren en gordijnen maken de beschouwer bewust van zijn relatie met de omgeving.

    Eind jaren ’60 ontstaan indringende combinaties van harde en zachte materialen, onbuigzame en plooibare materialen. Boezem richt een schijnwerper op de schaduw van een buiswerk-stoel die geschilderd is op een vilten vloerkleed. Hij signeert met condensatiestrepen de lucht boven de haven van Amsterdam. In de jaren ’70 experimenteert hij met de spanning tussen een reëel voorwerp en de gemeten weergave ervan, met in een ruimte opgestelde spiegels en ontstaat het idee van het gotisch groeiproject in Almere, dat tien jaar later wordt gerealiseerd: in het vlakke polderland zijn 174 Italiaanse populieren gepland volgens de plattegrond en de afmetingen van de kathedraal van Reims. Werk uit de jaren ’90 speelt met het gegeven van sokkel en spiegel, waarin het aardse en het hemelse elkaar spiegelen. 

    Een uitgebreide chronologie en bibliografie ronden deze voorbeeldig uitgegeven oeuvrecatalogus af. Het boek tekent in een sobere, op de zaak zelf gerichte combinatie van tekst en beeld de grillige ontwikkeling van Boezems werk op en brengt er de samenhang van naar voren. Een bewijs dat dit soort publicaties geen sierstukken voor de salontafel hoeft te blijven, maar echt inzicht kan geven.

    Edna Van Duyn e.a.: Boezem. Bussum: Thoth 1999.  546 p.

  • Nul = 0


    Twee banen sneeuwwitte watten op linnen. Rasters uit met witte latex beschilderd papier-maché, hun herhalingspatroon net niet geometrisch. Naar rubber geurende nieuwe autobanden, grillig gegroepeerd op een zwart geschilderde reusachtige plaat. Een koeltoog met klompen doorzichtig ijs erin, waarboven een wollig stuk ijsbeerpels hangt.

    Het werk van de Nul-groep (Armando, Hendrikse, Peeters, Schoonhoven en in de marge De Vries) die begin jaren 1960 met een paar roemruchte tentoonstellingen, manifesten en tijdschriften voor ophef zorgde, probeerde de grenzen tussen kunst en werkelijkheid te slechten. Kunst moest loskomen van individuele expressie en op onsentimentele wijze de technische verworvenheden van de opkomende consumptiemaatschappij durven in te zetten.

    De catalogus bij de retrospectieve tentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam (september 2011 – januari 2012) documenteert de activiteiten van de Nul-groep in haar internationale context. De Nederlandse kunstenaars hadden namelijk ook contact met hun Duitse geestverwanten van Zero (Mack, Piene, Uecker) en via hen met de internationale ZERO-beweging en kunstenaars als Yves Klein, Lucio Fontana, Piero Manzoni, de Franse Nouveaux Réalistes en de Japanse Gutai-groep.

    Het boek besteedt veel aandacht aan het ontstaan, de contacten, het naar buiten treden met publicaties en tentoonstellingen, de receptie en het grootse maar onuitgevoerde internationale project Zero op Zee, een gepland totaalkunstwerk dat niet eerder zo uitgebreid werd gedocumenteerd. Het bevat ook een complete lijst van tentoonstellingen tussen 1957 en 1967 en terugblikkende gesprekken met de Nederlandse hoofdrolspelers.

    De publicatie ademt ook in de vormgeving de geest van de jaren 60: zwart-wit, een origineel gestanste dubbele nul in de gevouwen kaft, een vrij drukke lay-out. Bij de overvloedige illustraties zijn er veel groepsportretten en tentoonstellingsgezichten, contemporaine persartikels en reproducties van uitnodigingen en manifesten, wat de documentaire waarde bevordert. Daarentegen is slechts een gedeelte van het tentoongestelde werk afgebeeld, vaak in nogal vaal zwart-wit, waardoor de tactiele hard- of zachtheid, de subtiele contrasten, kreuken en reliëfverschillen van het werk nauwelijks tot uiting komen.

    Door de haast positivistische aandacht voor namen, data en feitjes in het tekstgedeelte en het vooral oude, documentaire fotomateriaal lijkt het alsof de Nul-kunst alleen nog historisch belang heeft. Een kortdurende beweging was het zeker, deels niet vrij van moderne kitsch (zoals sommige werken van Gutai) en naïef metafysisch idealisme (het Duitse Zero).

    In zijn strenge eenvoud, ongewoon materiaalgebruik en inventieve vormentaal, voorbij schilderij en sculptuur, blijft vooral het werk van de Nederlanders en Italianen ongemeen krachtig en verfrissend. De tentoonstelling liet dat overtuigend zien, de catalogus slechts partieel. Er wordt wel meer licht geworpen op de internationale verbanden en de vroege receptie, maar als inleiding blijft Janneke Wesselings boek Alles was mooi. Een geschiedenis van de Nul-beweging (1989) diepgaander en evenwichtiger.

    Colin Huizing & Tijs Visser (red.): Nul = 0. De Nederlandse Nul-groep in een internationale context. Schiedam: Stedelijk Museum / Rotterdam: NAi Uitgevers 2011. 190 p., €  27,50


  • René Daniëls: De woorden staan niet op hun juiste plaats


    Als er één schilder de schilderkunst in Nederland in de laatste decennia van de 20e eeuw nieuw elan heeft gegeven, is het wel René Daniëls (geb. 1950). Hij beschouwde zichzelf als een beeldend dichter, die het niemandsland verkende tussen literatuur, beeldende kunst en het dagelijkse leven. Zijn schilderijen zijn kleurrijk, helder, licht en haast transparant; tegelijk zijn ze zo gelaagd en raadselachtig dat ze hun geheim nooit prijsgeven.

    Ter gelegenheid van de grote solotentoonstellingen in Madrid en Eindhoven, waar een overzicht van het veelzijdige oeuvre in zijn ontstaanscontext werd geboden, verschijnt een overvloedig geïllustreerde catalogus. De titel van de expositie, ‘Een tentoonstelling is ook altijd een deel van een groter geheel’, lijkt tevens het compositieprincipe van de publicatie. Het beeldgedeelte bevat chronologisch het tentoongestelde werk (schilderijen, aquarellen, tekeningen, objecten) naast stills uit super-8-films die Daniëls maakte van optredens in de punk, wave en no wave-scene in het Eindhoven van die tijd en talrijke foto’s, onder meer van werk in het atelier en tentoonstellingen.

    Heel interessant zijn de helaas nogal klein afgebeelde schetsen en aantekeningen waarin de kunstenaar zijn positie bepaalt tegenover voorlopers in kunst en literatuur. Voor het eerst is ook recent werk opgenomen dat Daniëls na zijn hersenbloeding in 1987 en een langdurige revalidatie gemaakt heeft tijdens de laatste jaren. Motieven van het vroegere oeuvre keren er schetsmatig in terug, ook de typische combinatie van beeld en woord, zij het technisch onderhevig aan flinke beperkingen.

    Het tekstgedeelte opent met drie zeldzame interviews uit 1983 waarin blijkt hoe belangrijk Daniëls het vond zich te verzetten tegen eenduidige interpretatie, hoe het hem erom ging het denken tijdens het schilderen uit te schakelen en niet illusionistisch te werken. In een meesterlijk essay belicht Dominic van den Boogerd het principieel onaffe van Daniëls schilderijen, de ambiguïteit ervan en het spel van verschijnen en verdwijnen. “Klanken, beelden, woorden, visioenen tuimelen over elkaar heen, trekken elkaar aan, klonteren samen en vallen weer uiteen, om even zo vrolijk weer nieuwe, andere constellaties te vormen.”

    Jammer is dat nergens de pagina wordt vermeld waar je de reproductie van de besproken werken kunt vinden. Van Pam Emmerik is er een te licht uitgevallen associatieve beschouwing. Kunsthistoricus Paul Sztulman beschrijft in een gestoffeerd betoog de artistieke context van Daniëls oeuvre. Hij toont aan hoe de kunstenaar de moderne kunst een spiegel van zwarte humor voorhoudt en hoe Daniëls “in zijn schilderijen een spel speelt met de perceptie, dat de diepte en het oppervlak met elkaar verweeft”. Curator Roland Groenenboom wijst in een kort maar leerrijk opstel op de continuïteit in het werk en noemt wat recent is ontstaan ‘nog steeds raadselachtig en vol dubbele bodems’.

    Ondanks de inspanningen in het tekstgedeelte keer je bij dit boek toch steeds weer terug naar de kleurenreproducties en de boeiende beeldenreeksen, waar je de motieven uit elkaar ziet ontstaan, transformeren en metamorfoseren, in een betovering van kleur en vindingrijke compositie, letterlijk te mooi voor woorden.

    Roland Groenenboom (red.): René Daniëls: de woorden staan niet op hun juiste plaats. Rotterdam: NAi Uitgevers 2012. 184 p., € 29,50 [juli ’12]

  • 1913. De grote kunstexplosie

    Nederlands modernisme in Europees verband (Singer Laren)


    In Singer Laren loopt tot 11 januari 2026 een tentoonstelling over een hoogtepunt van het Nederlandse modernisme in Europese samenhang. Het getoonde werk ontstond opmerkelijk genoeg een jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, is meestal van groot formaat, kleurrijk en vol dynamiek. 1913 blijkt een wonderjaar waarin de kunstwereld lijkt te dansen op een vulkaan die op uitbarsten staat. De oorlog maakte abrupt een einde aan de internationale uitwisseling en wederzijdse beïnvloeding van de Europese avant-garde, waarin stromingen als het expressionisme, kubisme, futurisme en de beginnende abstracte kunst over elkaar heen buitelden.

    Het rijk geïllustreerde boek bij de tentoonstelling belicht in een eerste deel uitgebreid de context van ‘een wervelend jaar voor de Nederlandse schilderkunst’. Conservator Roby Boes maakt een tijdreis langs de belangrijkste tentoonstellingen en avant-gardekunst in Nederland, te midden van Europese ontwikkelingen. Franse kubisten, Italiaanse futuristen en Duitse expressionisten werden geëxposeerd bij verschillende kunstenaarsverenigingen en kunsthandels. Omgekeerd namen Nederlandse kunstenaars – niet alleen de in Parijs woonachtige zoals Kees van Dongen, Piet Mondriaan en Lodewijk Schelfhout, maar ook modernisten als Jan Sluijters, Leo Gestel, Erich Wichman en Jacoba van Heemskerck – deel aan tentoonstellingen in het buitenland.

    Tegen de achtergrond van nieuwe technische ontwikkelingen en wetenschappelijke uitvindingen groeide ook bij kunstenaars de drang verder te gaan dan de weergave van de zichtbare werkelijkheid. Kleur en vorm kregen als picturale middelen een nooit geziene zelfstandigheid. Het werk en de geschriften van Wassily Kandinsky, van wie in 1912 een rondreizende overzichtsexpositie te zien was, bleken van grote invloed naast tentoonstellingen en manifesten van de kubisten en de futuristen in 1911 respectievelijk 1912. Boes besteedt veel aandacht aan de netwerken, contacten en reacties van kunstenaars en critici en aan de rol van kunstkringen en initiatieven als ‘De Onafhankelijken’, de eerste jury-vrije kunstenaarsvereniging in Nederland.

    Het gedegen essay wordt geïllustreerd met voorbeelden van de internationale kunst uit die tijd en met citaten uit de soms afwijzende, soms weifelende receptie in de pers. Waar de tentoonstelling de klemtoon legt op Nederlandse kunstenaars en vrij weinig buitenlandse schilderijen toont, vind je in het boek ook werk van namen als Kandinsky – het prachtige ‘Bild mit weisser Form’ en het half lyrisch-abstracte, half figuratieve ‘Improvisation No. 30 (Cannons’) –, František Kupka, Luigi Russolo, Gino Severini en Pablo Picasso. Interessant zijn de zwart-witfoto’s van zaalgezichten en intussen spoorloos geraakt werk, onder andere (verrassend) vrijwel abstract werk van de dichter-zanger Koos Speenhoff.

    De eigenlijke catalogus belicht per kunstenaar de tentoongestelde werken: invloeden van en verwantschappen met de grote avant-gardestromingen, waarbij heel genuanceerd te werk wordt gegaan. Zo wijst de tekst over Jan Sluijters’ duizelingwekkende ‘Interieur’ op twee zelfstandig verwerkte invloeden: ‘De invloed van het kubisme manifesteert zich in het gebruik van wisselende perspectieven, terwijl de beweeglijke voorgrond de dynamiek van het futurisme weerspiegelt.’ Uiteraard zijn niet alle werken van eerste rang, maar zowel bij bekende als de minder bekende namen vallen ontdekkingen te doen: het prachtige coloriet van Jan Sluijters’ ‘Kubistisch halfnaakt’, de dynamiek van Leo Gestels ‘Bloemstilleven’ vol beweging, een abstract-futuristische compositie die mogelijk aan Jules Schmalzigaug kan worden toegeschreven, Lodewijk Schelfhouts monumentale ‘De boom, La Provence’, in diens eigen woorden ‘een geestelijke vertaling van den indruk der natuur op ons karakter’.

    Krachtig is ook het werk van Jacoba van Heemskerck met haar mystiek aandoende ‘Compositie nr. 6’. Verbluffend het sterk abstraherende ‘Klein landschap’ van Erich Wichman. Een hoogst originele avant-gardist wiens werk zelfs op de Nieuwe Wilden lijkt vooruit te lopen is Adriaan Korteweg met zijn verontrustende ‘Doolhof’. Sommige abstraherende werken hebben zo felle kleuren (Djurre Pieter Duursma) dat ze zichzelf lijken te overschreeuwen of neigen met hun biomorfe vormen erg naar het decoratieve (een gedeelte van Jan van Deenes reeks ‘Peinture’ en Jacob Bendiens ‘Composities’).

    Bij de werken van buitenlandse kunstenaars is er het feestelijke ‘L’Equipe de Cardiff’ van Robert Delaunay, door Apollinaire bestempeld als ‘orfisme’, een overgangsvorm tussen kubisme en abstracte kunst. Even kleurrijk August Mackes ‘Reiter und Spaziergänger in der Allee’, een beweeglijke abstrahering. Mooi en rustgevend zijn het gestileerde schilderij ‘Le grand buste rouge’ van Amedeo Modigliani en een expressionistisch vrouwenportret door Alexej von Jawlensky.

    1913. De grote kunstexplosie biedt een indrukwekkend beeld van de vernieuwingskracht en durf die de Nederlandse en internationale avant-gardekunst hebben tentoongespreid.


    Jan Rudolph de Lorm e.a.: 1913. De grote kunstexplosie, Singer Laren |Waanders Uitgevers, Zwolle, 2025, 128 p., ISBN 9789462626492