Categorie: musea

  • Beeldentuin Kröller-Müller Museum

    In 1961 werd het Kröller-Müller Museum in het Nationaal Park De Hoge Veluwe uitgebreid met een beeldentuin. Wat in het begin een bescheiden presentatieruimte was voor figuratieve en abstracte beeldhouwkunst in openlucht, is uitgegroeid tot een beeldenpark en een beeldenbos. Het geheel biedt een schitterend en steeds weer verrassend overzicht van de stormachtige ontwikkelingen in de beeldhouwkunst sinds Auguste Rodin.

    Het samenspel van (landschaps)architectuur, kunst en natuur is op weinig plaatsen zo geslaagd als in Otterlo. Voor een groot deel is dat te danken aan het doordachte aankoopbeleid en de visie van de opeenvolgende directeuren Bram Hammacher, Rudi Oxenaar en Evert van Straaten. Het is dan ook meer dan een plichtpleging dat het volumineuze catalogusboek inleidende essays over elk van die bewindsperiodes bevat, waarin telkens werkwijze en artistieke oogmerken uit de doeken worden gedaan.

    Net zoals het echtpaar Kröller-Müller, dat met zijn fortuin en vooral zijn zin voor kunst de verzameling 19e– en 20e-eeuwse meesters (waaronder een schat aan Van Goghs) heeft bijeengebracht, hebben zij op geïnspireerde en zelfstandige wijze de beeldencollectie uitgebreid en bij de tijd gehouden. Het natuurlijke kader betekende voor hen meer dan ruime museumzalen buiten. Ook als ze samenwerkten met kunstenaars – heel wat werk is site specific – beslisten zij mee over de plaatsing.

    Er werd en wordt rekening gehouden met zonlicht en schaduw, de aard van de beplanting rondom, de dialoog met andere beelden, het uitzicht dat de bezoeker vanuit diverse punten op verschillende werken krijgt. Soms wordt een werk verplaatst, soms moet het worden ontmanteld, verhuizen naar binnen of naar een van de twee paviljoenen: het strak geometrische Gerrit Rietveldpaviljoen of het paviljoen met de speelse rondingen van Aldo van Eyck. De nieuwe materialen waarmee wordt geëxperimenteerd blijken immers niet altijd bestand tegen de voortdurende blootstelling aan weer en wind.

    Na een stuk over de inbreng van de landschapsarchitecten van West 8, een discussie over de toekomst van de beeldentuin en een internationale situering van het fenomeen ‘beeldenparken’ volgt het overzicht van de werken in de beeldentuin, alfabetisch gerangschikt op naam van de kunstenaar. Telkens geven één à twee bladzijden achtergrondinformatie over de kunstenaar en de aard van het werk, de geschiedenis van de aankoop, de overwegingen bij de keuze en de plaatsing. Vaak zijn deze teksten gelardeerd met citaten uit verslagen van atelierbezoeken en/of de correspondentie met de kunstenaar. Kleinere tot paginagrote kleurenfoto’s van uitstekende kwaliteit tonen het werk in zijn omgeving.

    Deze 250 bladzijden omvattende bestandscatalogus is een door zijn schikking uiteraard wat springerige, maar levendige en concrete kennismaking met de vele stromingen en kunstenaars die in Kröller-Müller vertegenwoordigd zijn. Je vindt er zowel de lieflijk realistische Maillol als de nerveuze Rodin, kubistische en expressionistische beelden van mensen(torso’s), de constructivistische abstractie van Antoine Pevsner, de langgerekte Homme qui marche van Alberto Giacometti.

    De belangrijke naoorlogse Britse beeldhouwkunst is vertegenwoordigd met werken van Barbara Hepworth en Henry Moore, beelden waarin de openingen even belangrijk worden als de materie ertussen. Ook recentere stromingen zijn prominent aanwezig: de minimal art van Carl André met zijn stalen paden, het modernisme van Mark Di Suvero met zijn K-piece, de arte povera met tussen de bomen een bronzen boom van Giuseppe Penone, de land art met een indrukwekkende ingreep van Richard Serra. Drie stalen platen van elk 1,20 m hoog en 12 meter lang, voor de helft in een valleihelling geschoven, steken de ruimte in. In het midden blijft een open ruimte waar de toeschouwer met het werk wordt geconfronteerd. “Het vertrouwde, naar binnen gerichte karakter van de boskom is verdwenen en daarvoor in de plaats is er nu een denkbeeldige beweging die de aandacht naar buiten trekt, Spin out. De drie platen maken een totaal andere ruimtebeleving mogelijk.”

    Dat laatste geldt voor meer werk in deze beeldentuin: de Jardin d’émail van Jean Dubuffet, een kunst(mat)ige tuin in de tuin, de Concetto spaziale ‘Natura’ van Lucio Fontana, ruwe bronzen ballen met een scheur erin, als kleine monsters die het spreken uitproberen, het overweldigende View van Rudi van de Wint: drie zich op een heuveltop openvouwende reusachtige stalen bladen. Heel individueel werk ook dat je niet in een stroming kunt onderbrengen: de opengesneden en weer samengestelde steenblokken van Ulrich Rückriem, de enigmatische bouwwerken van Pjotr Müller en Per Kirkeby, de Needle Tower van Kenneth Snelson, gebaseerd op een duizelingwekkend spel van duwende en trekkende krachten in de verbindingen tussen aluminium staven en staalkabels.

    En halverwege de Franse berg Resonance (1994-1999) van Chen Zhen: een enorme stalen klok in een metalen frame met zes megafoons, met in de kuil van de sokkel een stapel kapotte en verbrande stoelen, een van de weinige geslaagde voorbeelden van hedendaagse maatschappelijk geëngageerde kunst. Het toont aan dat de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum geen wereldvreemde hortus conclusus is, maar een ‘alert paradijs’. Dit uiterst verzorgde, diepgaande en tegelijk toegankelijke catalogusboek wijst er de weg naar.

    Toos van Kooten, Marente Bloemheuvel (red., sam.): Beeldentuin Kröller-Müller Museum. Otterlo: Kröller-Müller Museum / Rotterdam: NAi Uitgevers 2007.  399 p.

  • Collectie in context: Van Abbemuseum 1936-2024


    In 1933 schonk de sigarenfabrikant Henri van Abbe de Gemeente Eindhoven het geld om een ‘museum voor schilderkunst’ te bouwen en een som voor de eerste aankopen waarmee onder meer 26 werken uit zijn collectie werden ‘aangekocht’. Het ging om (gematigd) expressionistische en (neo)realistische schilderijen van Nederlandse meesters als Jan Sluijters en Carel Willink. Het museum opende in 1936 zijn deuren met een tentoonstelling Hedendaagse Nederlandsche kunst.

    Wie de coverfoto van Collectie in context, het prachtig uitgegeven resultaat van onderzoek naar de collectievorming van het museum in de periode 1936-2024 bekijkt, kan zich meteen een beeld maken van hoe het Van Abbemuseum in die bijna 90 jaar is geëvolueerd. De huidige internationaal gereputeerde collectie is het resultaat van de durf en de visie van de opeenvolgende directeuren. Ze moesten al dan niet met steun van een Commissie van Advies hun aankoopplannen verdedigen tegenover een Commissie van Toezicht en het College van B en W in Eindhoven.

    ‘Niet zelden ontstonden conflicten door gebrek aan deskundigheid bij deze instanties, verschillen in visie op de kunstgeschiedenis, de artistieke en maatschappelijke waarde van kunst en de functie van het museum.’ Aan de hand van twintig voor de collectie verworven kunstwerken wordt ingegaan op de vraag hoe de directeuren hun visie op kunst in een doordacht aankoop- en tentoonstellingsbeleid hebben omgezet.

    Die directeuren vertegenwoordigden een verschillende museumopvatting: enerzijds het autonome museum (de kunst als artistieke waarde op zich) bij Wouter Visser, Edy de Wilde, Rudi Fuchs en Jan Debbaut, anderzijds het responsieve museum (kunst gericht op de noden van de samenleving) bij Jean Leering en Charles Esche.

    De eerste directeur, Wouter Visser, stapte al af van de methode Van Abbe – het verzamelen van ieder op zichzelf waardevolle schilderijen – en gaf de voorkeur aan representatieve vertegenwoordigers van belangrijke nieuwe richtingen. Pas met het directoraat van Edy de Wilde zou het museum hier volop in slagen. Hij maakte, in navolging van Alfred H. Barr jr., een schema van de ontwikkeling van de moderne kunst en wist de collectie behalve met neorealistisch werk van Carel Willink en Charley Toorop (ook in haar stijlontwikkeling), uit te breiden met kwalitatief hoogstaande werken van Herman Kruyder, Jan Sluyters, Robert Delaunay, Georges Braque, Pablo Picasso, Juan Gris. Daarmee was de basis gelegd voor een collectie moderne en hedendaagse kunst van nationale en internationale allure. Daar kwamen nog topwerken van Fernand Léger en Karel Appel bij. Zijn verwerving van de El Lissitzky-collectie krijgt helaas weinig aandacht.

    Onder Jean Leering verruimde het aankoopbeleid naar de contemporaine  ‘nouvelles tendances’ in Frankrijk, Duitsland en Amerika. Het museum verwierf, nu vaak in een groep van samenhangende werken, de nouveaux réalistes en Yves Klein, Zero/Nul, abstract expressionisten, minimal art, Christo enz. Leering focuste niet meer op het ezelschilderij maar op objecten die de bezoeker aan het denken zetten over zijn verhouding tot de werkelijkheid en de veranderde samenleving. Zo wist hij Joseph Beuys ertoe te bewegen speciaal voor een ruimte in het museum het environment ‘Voglie vedere imei montagne’ te maken.

    Rudi Fuchs nam opnieuw een autonoom esthetisch standpunt in en bouwde de belangrijkste twee stromingen vanaf de jaren zestig in de collectie uit: minimalisme en conceptuele kunst. Een opvallende koerswijziging in zijn beleid was de aandacht voor de Duitse neo-expressionisten – figuratief en schilderkunstig werk van een Noord-Europees temperament (Markus Lüpertz, A.R. Penck e.a.). Tegelijk ontwikkelde hij een moderne, pluralistische visie op kunst, niet langer als een rechtlijnige evolutie maar als een waaier van vertakkingen en dialecten. Ook wees hij op ‘genealogische verwantschap’ tussen kunstenaars, bijvoorbeeld van Iannis Kounellis met Kazimir Malevich of Giorgio de Chirico.

    Jan Debbaut toonde zich evenzeer betrokken bij kunstenaars van de eigen generatie, met een klemtoon op sculptuur en installatiekunst, waar volgens hem aan het eind van de jaren tachtig toonaangevende artistieke ontwikkelingen in plaatsvonden. Hij verwierf onder meer werk van Marcel Broodthaers en had ook aandacht voor performances.

    Met Charles Esche werd esthetiek van ondergeschikt belang: ‘Het museum’, schreef hij in 2014, ‘is geen schatkist, gevuld met kunst als betekenisloos esthetisch vermaak, maar een gereedschapskist, klaar om actief te gebruiken in verschillende contexten’. Zijn ingrijpende aankoop- en tentoonstellingsbeleid hield rekening met de grote tendensen in de maatschappij sinds de val van de Muur: globalisering, dekolonisatie, een inclusievere houding tegenover gender en huidskleur. Voortaan werd ook werk aangekocht van kunstenaars uit Oost-Europa, het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië, onder meer de wandinstallatie ‘Self-Heterotopia, Catching Up with Self’ van Hüseyin Baqjr Alptekin.  

    De geschetste ontwikkeling wordt in dit overvloedig geïllustreerde boek uit de doeken gedaan aan de hand van exemplarische werken. Hoe kwam het contact met de kunstenaar tot stand, wat was de motivatie om het werk aan te kopen, welke plaats bekleedde het in het oeuvre van de kunstenaar en wat was het bijzondere belang ervan? Er wordt ook ingegaan op de context waarin ze werden tentoongesteld, hoe ze herhaaldelijk van plaats in de museale rangorde wisselden of op een bepaald moment zelfs naar het depot verdwenen.

    Bij Karel Appels ‘De veroordeelden. Hommage à Rosenberg’ rijst bijvoorbeeld de vraag of het wel een politiek geladen werk is, wat Appel zelf bestreed maar later in een grote tentoonstelling werd beklemtoond. De replica van László Moholy-Nagy’s ‘Licht-Raum Modulator’ roept de kwestie van de status van het werk op: is het een kunstwerk of een theaterrekwisiet? En bij een voor actief gebruik door de bezoekers bedoelde groep objecten van Franz Erhard Walther wordt vastgesteld dat ze later toch weer als autonoom esthetisch object werden tentoongesteld.

    Zo is Collectie in context, gegroeid uit een samenwerking van de Open Universiteit en het Van Abbemuseum, niet enkel een grondig gedocumenteerde reconstructie geworden van hoe een museumcollectie tot stand komt. Het boek bevat ook een schat aan nieuwe invalshoeken op de veranderende (visie op) beeldende kunst in de twintigste en eenentwintigste eeuw.

    Diana Franssen, Mieke Rijnders (red.), Paul van den Akker, Collectie in context / Van Abbemuseum 1936-2024, WBOOKS, Zwolle, 2025, 271 p., ISBN 978 94 625 8514 0, € 24,95