Categorie: Belgische kunst

  • Zie. Kunst in poëzie uit Vlaanderen

    Een bloemlezing beeldgedichten

    Beeldgedichten zijn een hachelijk genre. Wanneer dichters zich laten inspireren door een kunstwerk, een oeuvre of een kunstenaar, moeten ze in taal iets scheppen wat de vergelijking met de inspiratiebron kan doorstaan. In het beste geval voegt het gedicht iets aan de kunst toe of brengt het een werk meer tot leven. Als het mislukt, is weinig poëzie irritanter en overbodiger.

    Kurt de Boodt heeft 25 jaar Vlaamse poëzie ‘die wat heeft met beeldende kunst’ gebloemleesd. Volledigheid werd niet nagestreefd, wel kregen gedichten over Belgische kunst een streepje voor. De gedichten zijn ondergebracht in thematische groepjes: de schepping (met o.m. het prachtige ‘Dodecaëder VIII’ van Christine D’haen, geïnspireerd door Michelangelo’s ‘Adam’); de spanning tussen kunst en werkelijkheid (met een heerlijk baldadig gedicht van Gust Gils over ‘De waanzin van Rembrandt’) en een aantal genres of topics uit de kunstenaarswereld: spiegel – zelfportret, spiegel – portret, model, binnen/buiten, de abstractie van vormen, lijnen en kleuren.

    De bloemlezing bevat een 30-tal reproducties in kleur van werk dat als inspiratiebron diende, hoofdzakelijk schilderijen, maar ook beeldhouwwerk en installaties. Soms hebben verschillende gedichten eenzelfde uitgangspunt: Spilliaerts zelfportretten, de kerkinterieurs van Saenredam, ‘Who’s afraid of red, yellow and blue’ van Barnett Newman. Als je niet wordt afgeleid door manifeste taalfouten (‘het gestalte’, ‘iets abstract’, ‘parelgrijzen ogen’), is het lezen en kijken in Zie een boeiende ervaring, die je confronteert met goede en slechte poëzie.

    Ontgoochelend zijn de gedichten die mordicus willen interpreteren en opladen met betekenis (“Een dag als een ongeschoeide / claris: franciscaans licht”), on-poëtische beschrijvingen (“De schilder mengt de kleuren op zijn palet / en schenkt de wereld zijn perspectief”), potsierlijke aansprekingen van een geportretteerde (“Gestroomlijnd lig je de werkelijkheid te bedenken, / je borsten onder eeuwen katholicisme bedolven”).

    Beter zijn de gedichten die hun eigenheid bewaren en zich tegenover het kunstwerk affirmeren. Stefan Hertmans vertelt, schijnbaar wijdlopig maar in feite erg compact, het verhaal van ‘Goya als hond’ (cover), Paul Claes giet de weelde van het afgebeelde geconcentreerd in een beknopt kwatrijn (‘Las Meninas’: “Hier keek een schilder in zijn eigen blik / en ginds in zijn weerspiegeling sta ik / achter lakeien, hofdames en dwergen: / de bleke koning van hun ogenblik.”), Roland Jooris benadert met karige woorden en korte verzen de kern van Saenredam.

    De onpretentieuze gedichten zijn vaak geslaagder dan de hooggegrepen specimens: de luchtige toon van Norbert de Beule die in ‘neusBrug’ een oude man met Vermeers meisje met de parel confronteert, de herinnering aan kinderlijke verkleedpartijen waarmee Kurt de Boodt zijn ‘Zelfportret als Cindy Sherman’ tot stand brengt, het drievoudige, haast terloopse relaas van een zelfmoord dat Jan Lauwereyns koppelt aan het geel, rood en blauw van Barnett Newman.

    En uiteraard drijven de beste dichters boven: Dirk van Bastelaere (vlijmscherp bv. in ’Léon Spilliaert, Zelfportret 1907-1908’) en Hugo Claus, wiens vierdelige ‘Antiphon’ het gelijknamige en eveneens vierdelige streepjeswerk van Dan van Severen wezenlijk – tot in de klank van de taal – herschept. Maar er is veel kaf onder het koren.

    Zie. Kunst in poëzie uit Vlaanderen. Verzameld en ingeleid door Kurt de Boodt. Leuven: Uitgeverij P , 2007. 135 p.

  • Alechinsky van a tot y


    Ter gelegenheid van het grote retrospectief van de Belgische Cobrakunstenaar Pierre Alechinsky (*1927) in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel (nog tot 30 maart 2008) verscheen een ‘catalogue raisonnable’. Hij bevat een 200-tal kleurenreproducties van het tentoongestelde werk, sommige paginagroot, sommige iets te klein om de woekerende details te kunnen onderscheiden. Daarnaast een uitgebreide levenskroniek met interessante foto’s uit Alechinsky’s archief.

    Je ziet bijvoorbeeld de roemruchte Ateliers du Marais in Brussel, waar hij omstreeks 1950 samen met o.a. Olivier Strebelle, Serge Vandercam en de beeldhouwer Reinhoud leefde en werkte, en waar ook Asger Jorn op weg naar Parijs halt hield. Ook een reeks foto’s, in vogelperspectief, waarop de meester in actie wordt getoond.

    Gebukt over een groot vel papier, het penseel in de linkerhand (Alechinsky is een ‘beknotte’ linkshandige), de kom met Oost-Indische inkt voor het evenwicht in de rechterhand, terwijl hij het witte blad vult met penseelstreken. Ten slotte een lang essay, waarin conservator Michel Draguet in vier omtrekkende bewegingen het werkproces van de kunstenaar benadert.

    Hij bespreekt achtereenvolgens de verovering van het penseel, de wegen van de inkt, excursies in de marge, woordspelingen en de vier elementen. Hoewel de toon soms hoogdravend is en de stijl niet altijd even helder, bevat het veel rake observaties, informatie uit de eerste hand en blijft het dicht bij het werk. Draguet wijst onder meer op de afkeer van vaste vormen, het onstuimige schildergebaar dat door het medium olieverf wordt gehinderd en 20 jaar later zijn vrijheid herwint in de acrylverf.

    Het contact met het Oosten en de Japanse kalligrafie (1955) bevrijdt Alechinsky van de Westerse schilderkunstige traditie waarmee hij van in het begin heeft overhoop gelegen. Hij verlaat de schildersezel, legt het doek op grond en leeft zich uit in heftige all-over-composities met uitbundige kleuren, die getuigen van een intense verbeelding: elke gegeven vorm wordt gemetamorfoseerd in een vraagstelling. De mens is bij Alechinsky ‘tegelijk monster en wonder’.

    Het grote schilderij ‘Central Park’uit 1965 is een keerpunt. ‘De slang die in het hart van de metropool verscholen zit, kronkelt zich dreigend rondom een leegte die even onrustwekkend is als de leegte achter het façademasker.’ Alechnisky voegt aan dit kleurengeweld randillustraties op Japans papier toe, waarop hij in Oost-Indische inkt het centrale onderwerp laat aangroeien door omkaderende verhalen. Die randillustraties en predella’s brengen een tijdsverloop in het schilderij.

    Later verzelfstandigt zich dit verhalende werk tot reeksen inkttekeningen, die doen denken aan een moeilijker vorm van stripverhaal: ze evoceren vulkaanuitbarstingen, rampen op zee, mythische versteningen. Draguets essay wordt hier en daar gelardeerd met uitspraken van Alechinsky en fragmenten uit diens geschriften.

    Tegenover dat pluspunt staat een manco. Als je het commentaar aan het werk wil toetsen, is het een heel gezoek. Een alfabetische lijst van de titels of een paginaverwijzing in de marge had dit kunnen voorkomen. Een laatste, delicatere bedenking betreft de kwaliteit van het oeuvre. Ondanks de onrust en het enthousiasme van de kunstenaar, liggen schoonheid en verstarring in dit oeuvre naar mijn gevoel dichter bij elkaar dan de monografie suggereert. De overdadige woekering schaadt nogal ’s de impact ervan.

    Wanneer Alechinsky zich beperkt, bijvoorbeeld bij de lijnentronies op 17e-eeuwse landkaarten of de randillustraties en enkele spaarzame toevoegingen op een vervallen effect, ontstaat het sterkste werk. Heel mooi zijn de infeuilletables, niet-doorbladerbare boeken in porselein, waar de meester spaarzame tekeningen en woorden op heeft gepenseeld.

    Bevallig en verontrustend is Alechinsky, een steen des aanstoots voor de ratio, soms ook voor de smaak. Maar zeker geldt de zin die Serge Creuz in 1947 op een ateliermuur schreef en die Alechinsky in het schilderij ‘Indische spreuk’ heeft waargemaakt: ‘wie vreugde verschaft heeft met een groen naast een rood, heeft niet voor niets geleefd’.

    Alechinsky van A tot Y. Catalogue raisonnable van een retrospectief. Met een essay van Michel Draguet. Tielt : Lannoo 2007. 292 p.