Vaak beperken architectuurgidsen zich tot een selectie van architectonisch waardevolle, ‘mooie’ gebouwen. Martjan Kuit (1989) ziet het veel ruimer: hij kijkt met open blik naar wat er allemaal in Nederland gebouwd is en probeert zijn oordeel op te schorten: waarderen wat goed is en kritisch kijken naar wat beter kan. Met Vitruvius vindt hij dat architectuur draait om een balans tussen schoonheid, stevigheid en bruikbaarheid.
Na enkele beknopte inleidende tips voor beginnende gebouwenfans , een lijstje van 25 Nederlandse gebouwen die je gezien moet hebben en een paar routes, deelt hij gebouwd Nederland in volgens de functie van het bouwsel. Negen thema’s komen aan de orde: wonen, werken, overheid en publieke sector, religie, zorg en welzijn, onderwijs, cultuur en vrije tijd, techniek, infra, militair en overige.
Binnen die thema’s krijg je uitleg over verschillende types gebouwen: een definitie, de spreiding, waaraan je het type herkent en historische weetjes. Na vier types volgt er van elke soort een ‘Mustsee’: een drietal markante voorbeelden, beknopt gekarakteriseerd en geregeld met een fraaie kleurenfoto geïllustreerd.
Om een idee te geven van de typologie: die reikt bij Wonen van het rijtjeshuis, hoogbouw, twee-onder-een-kap en villa, via woonboot, woonwagen, tiny house en studentenhuis, over kasteel, buitenplaats, landgoed en paleis tot grachtenpand, arbeiderswoning, hofje en collectief wonen tot geschenkwoning, experimentele woningbouw en drive-inwoning. De opsomming maakt al duidelijk hoe veelomvattend de benadering is, historisch zowel als eigentijds.
Onder Infra vind je niet alleen station, abri, brug en tunnel, maar ook dam, sluis en stuw, parkeergarage, gemaal en trafohuisje. En bij Overig worden straatmeubilair, folly, nutteloze bouwwerken en nooit gebouwde niet vergeten. Een knap staaltje van didactiek is de tijdlijn achteraan, waarin de auteur met zevenmijlslaarzen door de architectuurgeschiedenis gaat, van Romaans (950-1250) tot Biophilic design (2010 tot heden), telkens met kenmerken en een voorbeeld in vetjes.
Voor wie op architectuuravontuur gaat volgt er nog een voorbeeld van hoe je in een formuliertje gespotte gebouwen kunt beschrijven en een reeks handige websites, organisaties en boeken.
Deze fris vormgegeven zakgids voor beginnende gebouwenfans is bijzonder toegankelijk geschreven en gekruid met terminologische en andere weetjes en anekdotes. De systematisch expliciterende aanpak zorgt voor bewustwording van wat misschien vanzelfsprekend lijkt maar het lang niet altijd is en zet op enthousiasmerende wijze aan tot zelf ontdekken van de gebouwde ruimte.
Martjan Kuit, Gebouwd Nederland, W BOOKS, Zwolle, 2026, 256 p., € 29,95, ISBN 978 94 625 8775 5
Misschien beschouwen veel mensen de stad al lang niet meer als de aangenaamste plek om te wonen, feit is dat de stedelijke omgeving eeuwenlang gelijkstond met beschaving. Volgens Thomas van Aquino was de stad de ideale gemeenschap en had iedere koning de plicht om steden te bouwen. Geen wonder dat wijsgeren als Plato, schrijvers als Thomas More en architecten als Le Corbusier de in hun ogen ideale samenleving hebben verbonden aan het ontwerp van een ideale stad.
Toen zulke utopieën in de loop van de geschiedenis gedeeltelijk werden verwezenlijkt, rees echter de vraag of het niet beter was dat de utopische ‘goede plek’ (eu-topos) inderdaad ‘nergens’ bestond (ou-topos). In een prachtig verzorgd lees- en kijkboek, uitgegeven door het Mercatorfonds, beschrijft Ruth Eaton het utopia van een (niet) gebouwde omgeving van de Oudheid tot het begin van het derde millennium.
De Britse historica komt beslagen ten ijs. Gedurende twee decennia was ze in Londen, Parijs, Tokio en New York gastconservator van grote tentoonstellingen over architectuur, de stad van de toekomst en de zoektocht naar een ideale samenleving in het Westen. Haar gezichtsveld is erg breed. Ze bespreekt in haar overzicht van ideale stadsontwerpen de filosofische, staatkundige en artistieke bronnen die de ontwerpers hebben geleid en schetst bij elke periode de krachtlijnen van de maatschappelijke en culturele ontwikkeling. Ze heeft oog voor hoe de fantasie zich tot de heersende praktijk verhoudt en betrekt naast de architectuur ook de beeldende kunst en de literaire utopie in haar betoog.
Het enige dat je haar zou kunnen verwijten is de keerzijde van haar sterkte. Als continentaal lezer zou je wensen dat Eaton haar empirische aanpak met grote eerbied voor al wat er ooit is ontworpen, eens afwisselt met wat meer theoretische uitdieping of kritische reflectie. Haar kritiek blijft beperkt tot het twintigste-eeuwse modernisme, de grootstedelijke hoogbouw van staal en beton, die funest is gebleken voor het sociale weefsel van de stad en voor het milieu. Tegenover de zwakke punten van ontwerpen uit vroegere eeuwen is ze opvallend milder. Ze laat het aan de lezer over een oordeel te vellen.
Gelukkig biedt het boek er dankzij de heldere beschrijvingen en het overvloedige beeldmateriaal (schetsen, plannen, schilderijen, maquettes…) alle kans toe. Boeiend is ook dat een deel van het illustratiemateriaal niet rechtstreeks met stadsontwerpen te maken heeft, maar inzicht geeft in de cultuur waarin ze zijn ontstaan. Zo is er geen betere kennismaking met de zelfbewuste, rationele beschaving van de Renaissance dan Leonardo da Vinci’s Studie van de verhoudingen van het menselijk lichaam of met de chaos van de moderne grootstad resp. de reductie van de mens tot een radertje in het systeem dan Paul Citroens dadaïstische collage Metropolis en de beroemde filmfoto uit Charlie Chaplins Modern Times.
Ideale steden, aldus Eaton, breken met de stedelijke traditie van hun tijd, en verzetten zich tegen de status quo. Zo formuleerde Plato zijn ideeën over de ideale Staat toen Athene het onderspit moest delven in de Peloponnesische Oorlog, Thomas More (Utopia, 1516) reageerde op de gevolgen van het verval van de feodale economie, Leonardo da Vinci zocht naar oplossingen voor de overbevolking en de ziekten die steden als Firenze plaagden, Claude-Nicolas Ledoux bedacht zijn ideale stad in een periode van verandering die in de Franse Revolutie zou uitmonden, Robert Owen creëerde zijn alternatieve gemeenschappen als antwoord op de ellende van de Engelse arbeidersbevolking, de Duitse expressionisten probeerden met hun visionaire, ‘kristalheldere’ stadsontwerpen de gevolgen te verzachten van de Eerste Wereldoorlog, van werkloosheid en inflatie.
In tegenstelling tot organisch gegroeide steden ontstaat de ideale stad in het brein van één mens. Dat de stad een tegenzet is tegen de grillige natuur, blijkt uit de veelal geometrische plattegrond die zó van de tekentafel komt. In de Oudheid en de Renaissance geven de cirkel en het vierkant uitdrukking aan de harmonie tussen de aarde en de rationele wetten van het universum. Later komen er andere motieven voor in de plaats. De brede radiale straten wijzen rechtstreeks naar het kasteel van de absolutistische heerser. Het regelmatige patroon van het 18e-eeuwse stratenplan zorgt niet zozeer voor betere mobiliteit (die wordt pas een bekommernis eind 19e-begin 20e eeuw) als wel voor een betere controle van de grote groepen arbeiders. Heel wat plattegronden en gebouwen die in die tijd werden ontworpen, doen de moderne lezer onmiddellijk aan concentratiekampen en gevangenissen denken. Een continentaal auteur zou hier zeker de theorie van Michel Foucault over het bewaken en bestraffen bij te pas hebben gebracht.
Eaton noemt nog enkele andere kenmerken van ideale stadsontwerpen. Net zoals bij de utopieën van More, Campanella en Bacon is niets een grotere gruwel voor de ideale stad dan verandering. De stad wordt ontworpen voor een vast aantal inwoners, wordt om militaire redenen ommuurd en gefortificeerd en iedere afwijking van het ideale model is schadelijk voor de geordende samenleving die ze wil bevorderen. Voorts ontstaat een ideale stad los van elke bekommernis om de geografische, maatschappelijke en historische omgeving. De houding van de ontwerper is er een van tabula rasa.
Een afzonderlijk hoofdstuk wordt dan ook gewijd aan de Nieuwe Wereld. Daar vonden Europeanen na de ontdekkingen van de 15e en 16e eeuw een ideaal terrein om hun op het oude continent gefrustreerde dromen te projecteren. Het rasterplan symboliseerde de rationele dominantie van de koloniserende macht en bood een middel om zonder het bouwen van kostbare muren toezicht en veiligheid te verzekeren. Anders dan bij de versterkte steden die in Italië tot stand waren gebracht, waren de steden aan de overkant van de oceaan immers ontworpen om uitgebreid te worden. In Noord-Amerika ontstaan later heel eigen architecturale en stedenbouwkundige formules bij religieuze groeperingen die de wijk hadden genomen voor vervolging in Europa. De rastervorm van zulke ontwerpen is vaak direct afgeleid van bijbelse beschrijvingen.
Dat de ideale stad steeds weer moeite had met de ‘natuurlijke’ omgeving, illustreert de auteur met een typerende anekdote. Toen in 1810 Pickaway County werd gesticht, baseerde de ontwerper zich eerst op de bestaande cirkelvormige aarden wallen van de indianen. In 1837 beantwoordde dit Circleville (de eerste radiale stad van Amerika) niet aan de behoeften en de ideeën van projectontwikkelaars. Amerika’s eerste maatschappij voor stadsvernieuwing werd opgericht met als naam… ‘Circleville Squaring Company’ (maatschappij voor het vervierkanten van cirkelstad). Antropoloog Claude Lévi-Strauss zal later in Het trieste van de tropen beschrijven hoe de Braziliaanse Bororo-indianen helemaal van hun cultuur vervreemd raakten toen de missionarissen hun cirkelvormige dorpspatronen door rechthoekig geordende dorpen vervingen.
Met de revoluties in Frankrijk en Amerika verschoven utopieën toenemend van het virtuele domein naar dat van de realiteit. Op literair gebied werd de utopie nu vooral in de tijd – de toekomst – geprojecteerd. In de architectuur probeerde Ledoux het perfecte decor voor zijn ideale samenleving te creëren in de stad die hij zich droomde voor zijn zoutfabriek in Choux. Zijn ontwerpen verwijzen al naar de geïndustrialiseerde samenleving met haar gevaar van een ontmenselijkte maatschappij. 19e-eeuwse dromers van de ideale stad moesten rekening houden met de grootstedelijke constellaties. Ze probeerden industriële arbeid en menswaardig leven te combineren in ideale gemeenschappen, die werden ondergebracht in overzichtelijke, radiale modelsteden (de falanstères van Charles Fourier, de Familistère aan de grenzen van de stad Guise).
Voor andere denkers en dromers kon de stad als haard van ellende en armoede beter worden getransformeerd in menselijker varianten, vormen van plattelandsurbanisatie zoals de bandstad. Met zijn ‘Garden City’ hoopte Ebenezer Howard de stedelijke voordelen van werkgelegenheid en amusement te verenigen met de landelijke van gezond leven en ruimte. De eerste tuinstad werd gerealiseerd in Letchworth, op 50 kilometer van Londen. Van Howards sociale idealen kwamen er echter niet veel tot bloei en de voorziene geometrische plattegrond werd vervangen door een meer organisch bouwpatroon.
De 20e eeuw lijkt de definitieve overwinning te brengen van de metropool. Architecten en planologen zoeken een stad en een maatschappij die werken als een functioneel draaiende fabriek. De modernisten doen aan nooit geziene schaalvergroting, met een duidelijke scheiding van de verschillende zones. Ook in de communistische wereld spiegelt men zich aan de Amerikaanse industrialisatie. Constructivistische ontwerpers koesteren de stoutste dromen. Door urgente huisvestingsmaatregelen bij de bouw van nieuwe industriële ondernemingen is er echter geen geld voor.
In Frankrijk ontwerpt Le Corbusier een ‘eigentijdse stad voor drie miljoen inwoners’ met ideeën die sterk aanleunen bij de Nieuwe Orde. Een reactie tegenover dat megalomane architectonisch geweld kan niet uitblijven. Ze komt merkwaardig genoeg tot stand in het land van wolkenkrabbers en megastructuren, Amerika. Frank Lloyd Wright blaast met zijn ontwerp van Broadacre City (1934-35) de stad op en verplaatst haar naar het platteland; hij koestert de droom van een volledig gedecentraliseerd stelsel van aanpalende stukken grond, waarin individuele gezinnen weer in harmonie kunnen leven met de natuur.
Toen in het midden van de 20e eeuw gebleken was hoe ‘onherbergzaam’ onze grootsteden waren geworden (de term is van de sociaal-psycholoog Alexander Mitscherlich, die evenmin door Eaton wordt genoemd), komt er ook onder architecten en kunstenaars een reactie tegen autoriteit en uniformiteit. De ‘homo ludens’ eist weer zijn rechten op. Bijzonder fantastische en speelse ontwerpen zijn ecologisch geïnspireerd (de arcologies, een neologisme van architectuur en ecologie van Paolo Soleri) of zetten, in het kielzog van de Internationale Situationisten, de onveranderlijke en autoritaire stadsutopie op zijn kop en tekenen regelrechte architecturale contra-utopia’s (Nieuw Babylon van Constant Nieuwenhuys, de satirische ontwerpen van de Italiaanse groep Superstudio).
Zo blijkt de heftigste kritiek op de ideale stad te komen van degenen die lange tijd het meest met haar gedweept hebben: de architecten, scheppers naast God. Toch betekent die terughoudendheid volgens Ruth Eaton niet dat onze 21e eeuw geen nood meer zou hebben aan utopieën. “Zonder dat soort dromen”, besluit ze, “wordt onze wereld een saaie plek.” Het utopisme zal wel kleinschaliger moeten werken en rekening houden met de lokale omgeving, de toekomstige bewoners en, last but not least, de invloed op het milieu. Het is een behartigenswaardig besluit van een in vele opzichten grandioos boek.
Ruth Eaton, De ideale stad. Utopia en de (niet) gebouwde omgeving. Antwerpen: Mercatorfonds 2001. 255 p., € 74,89