Categorie: 21e eeuw

  • Rui Chafes X Alberto Giacometti

    De Portugese kunstenaar Rui Chafes (*1966) ziet zijn beelden als schakels in een continu proces van millennia. Hij bewondert beelden uit de prehistorie, de klassieke oudheid en het boeddhisme. Van de modernisten is Alberto Giacometti (1901-1966) zijn grote inspiratiebron. Het gaat hem niet om technische of vormelijke overeenkomsten maar om een diepe, existentiële verwantschap.

    Onder de titel Gris, Vide, Cris III, ontleend aan een gedicht van Giacometti, organiseert museum Beelden aan Zee (t/m 10 januari 2017) een derde ontmoeting tussen werk van beide kunstenaars. Dat vertoont op het eerste gezicht grote verschillen. Giacometti modelleert later in brons gegoten lange, dunne mensfiguren in gips en klei – grijzig, broos en rimpelig. Chafes’ in ijzer uitgevoerde werken zijn zwart geverfd, glad en krachtig; ze roepen zowel abstracte als biomorfe gedaantes op.

    Belangrijk voor beide oeuvres is de wisselwerking tussen sculptuur, ruimte, licht en de bezoeker. De drie woorden uit de titel verwijzen volgens curator Brigitte Bloksma naar drie toestanden van waarnemen: ‘Grijs is hier geen kleur, maar een zone van nuance, een gebied waarin vormen verschijnen en weer oplossen. Leegte is geen afwezigheid, maar een actieve ruimte die het kijken vertraagt en het lichaam van de bezoeker betrekt. En de kreet is niet enkel een geluid, maar een stille spanning die tot uiting komt in het materiaal en in de afwisselend zachte en harde lijnen.’

    Zoals de prachtige zwart-witfotografie van de tentoonstellingen laat zien, ontstaat er een architectonisch en spiritueel samenspel tussen het werk van Chafes en Giacometti. Enkele grote zwarte volumes sturen looprichting en blik, kijksleuven (zoals ook in de cover van dit mooi strak vormgegeven boek gebeurt) en kijkgaten bevorderen de concentratie waarmee je het werk in je opneemt.

    Onvergetelijk is The Night, het grote harnas met lange punt waarin Chafes het kleine gipsen beeld van Giacometti’s Le Nez ophangt, waardoor de uitdrukking van de kop met open mond en nieuwsgierige neus wordt uitvergroot en gematerialiseerd. Ondanks hun grote gewicht raken de meeste van Chafes’ werken niet de grond, maar hangen aan het plafond of de muur. Fascinerend zijn ook de werken waarbij de compacte vorm lijkt uiteen te rafelen in grillige ijzeren linten.

    De teksten in deze publicatie (tweetalig Nederlands en Engels) graven diep en blijven soms weerbarstig. De gedachten geven zich, net als het werk, niet zomaar prijs. In de uitgebreide bijdrage van curator Helena de Freitas zorgt de beschrijving, analyse en interpretatie van de drie tentoonstellingen (Parijs 2018, Lissabon 2023 en Den Haag 2026) weleens voor verwarring. Een sterk punt is dat de existentiële en spirituele draagwijdte van beider werk, ook in literaire en filosofische echo’s (o.a. Novalis, Genet, Beckett), in diverse teksten tot uiting komt. Glashelder is het stuk van Dick van Broekhuizen over Giacometti’s portretten, die onder meer Sartres visie op Giacometti’s ervaring van de onbereikbaarheid van het kunstwerk uiteenzet.

    Veelzeggend is het twintig bladzijden tellende ‘Lexicon’, samengesteld uit uitspraken van Chafes in interviews en toespraken. Zo lees je onder het lemma ‘Transcendentie en reductie’: ‘Ik wil weerstand bieden aan deze digitale, veelkleurige, transparante en gladde wereld. Hiermee wil ik zeggen dat ik een strategie van traagheid probeer aan te houden tegenover een strategie van versnelling, een strategie van gewicht tegenover een strategie van oppervlakkigheid. Dat is mijn vertrekpunt voor transcendentie en van daaruit kan de reis beginnen.’

    En bij ‘Verschijning’: ‘Voor mij is de vraag: hoe kan een sculptuur op zo’n manier in een ruimte werken dat er een opening naar een andere wereld ontstaat, die feitelijk een bevrijding is van het dagelijks leven? (…) Ik geloof dat kunst altijd gaat om de mogelijkheid een gevoel in de mens op te roepen van een vermoeden van een andere wereld.’

    Brigitte Bloksma e.a., Rui Chafes X Alberto Giacometti: Gris, Vide, Cris III, Museum Beelden aan Zee, Fondation Giacometti, Centro de Arte Moderna Gulbenkian, Waanders Uitgevers, Zwolle, 2026. 144 p., € 35. ISBN 978 94 6262 700 0

  • Waarom moderne kunst kunst is

    Misschien is de titel van deze vulgariserende geschiedenis van de moderne en hedendaagse kunst  al een beetje achterhaald. De goegemeente weet intussen best hoeveel een Picasso of een haai in formaldehyde opbrengen om haar verwijt snel in te slikken. Natuurlijk is ontzag voor hoge veilingprijzen nog geen waarborg voor het begrijpen van niet-traditionele kunst. Tate-medewerker en ‘kunsthistorische stand up-comedian’ Will Gompertz probeert de kunstleek met een enthousiast geschreven verhaal van bijna twee eeuwen moderne kunst bij te spijkeren.

    Na het romanesk vertelde grootste wapenfeit van de moderne kunstgeschiedenis – Marcel Duchamps inzending van een urinoir voor een belangrijke Amerikaanse tentoonstelling in 1917 – gaat hij terug tot de zoektocht van de pre-impressionisten naar de werkelijkheid, los van het academisme. Dan komen, van de impressionisten als schilders van het moderne leven via de postimpressionisten en Cézanne tot het primitivisme, fauvisme, kubisme en futurisme nog alle andere -ismen van de historische avant-garde aan de beurt, gevolgd door hoofdstukken over het abstracte expressionisme, de popart, het conceptualisme, Fluxus, arte povera en performancekunst, het minimalisme, het postmodernisme en de kunst van nu (1988-2008-heden), waarvoor de term ‘ondernemende kunst’ wordt gesmeed.

    Gompertz wisselt niet altijd even relevante anekdotes, biografische weetjes, informatie over galeriehouders en veilingprijzen af met citaten van kunstenaars over hun werk, competente duiding van stijlveranderingen en gedegen analyses van afzonderlijke representatieve werken. Door die laatste is het boek ook interessant voor wie al meer vertrouwd is met moderne kunst. Zo belicht hij gedetailleerd de invloed van de Japanse houtsnede op het werk van Degas, de grote vernieuwingen die Cézanne met zijn dubbele perspectief en geometrische compositie in de kunst heeft gebracht of het verschil tussen analytisch en synthetisch kubisme.

    In een aantal gevallen snijdt de anekdotiek hout, omdat ze de ontstaansgeschiedenis en de nieuwe vondsten van kunstenaars begrijpelijk maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de popartkunstenaars Paolozzi, Rauschenberg en Warhol, of bij een figuur als Tracey Emin. Soms doorbreekt de auteur de chronologie en verlevendigt hij zijn verhaal door uit te gaan van een actueel feit (bijvoorbeeld de geruchtmakende sessie van performancekunstenares Marina Abramović in het MoMA, lente 2010) en vervolgens terug te keren naar de wortels van een genre: de happenings van de al bijna vergeten Allan Kaprow aan het eind van de jaren 1950.

    Het boek is geïllustreerd met zwart-witfoto’s en twee katernen kleurillustraties van goed gekozen, belangrijke werken – helaas ook met een aantal overbodige en vreselijk melige cartoons, die alleen de vooroordelen bevestigen die het boek juist wil opruimen. Zoals ook het verfijnde personen- en zakenregister toont, komen heel wat kunstenaars, stromingen, technieken, invloeden en verbanden ter sprake. Gompertz kent zijn zaak behoorlijk. Toch blijkt ook ‘de beste leraar die je nooit hebt gehad’ (een citaat waar het omslag mee uitpakt) zijn blinde vlekken te hebben.

    Het Duitse expressionisme wordt stiefmoederlijk behandeld, de conceptuele kunst zo opgerekt dat het begrip zijn betekenis verliest en een echt conceptueel kunstenaar als Joseph Kosuth niet eens wordt vermeld. Een aantal sterke kunstenaars die niet meteen in een stroming passen, vallen gewoon uit de boot (o.a. James Ensor, Egon Schiele, Gerhard Richter, Anselm Kiefer, Christian Boltanski). In het register (vaak ook in de tekst) ontbreken elementaire genres en stromingen als assemblage, environment, hyperrealisme, installatie en videokunst.

    Sommige beweringen zijn misleidend: Alfred Jarry zou Kafka hebben beïnvloed en het surrealisme van André Breton het minimalisme. Didactisch toont Gompertz zich echter een meester, onder meer waar hij verbanden legt tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur of tussen kunst en andere media. Het boek is ongetwijfeld een geschikte introductie voor wie eindelijk meer wil weten van de ontwikkelingen in de moderne kunst, al moet je er hier en daar wat loze kreten – over Damien Hirst: ‘Stuitend? Ja. Goed? Heel erg. Kunst? Zeker weten’ – en een zekere vertekening bijnemen.

    Will Gompertz: Dat kan mijn kleine zusje ook. Waarom moderne kunst kunst is. Amsterdam: Meulenhoff 2012. 464 p., € 24,95